Welkom en stilte Votum en Groet NLB Ps 91:1 en 2 (Heil hem wien God een plaats bereidt) Gebed NLB 280:1-5 (De vreugde voert ons naar dit huis) Rom 15:4-7 Heb 12:1-7 Preek NLB 898:1,4 (Een vaste burcht is onze God - een wal...) Gebed Collecte NLB 175:1,3,4 (Wij hebben een sterke stad) Zegen en Danish amen

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Kun je het nog een beetje volhouden met elkaar?
Als je elkaar wat meer op de lippen zit, bijvoorbeeld in de vakantietijd,
of als je meer thuis zit omdat je niet meer of minder bent gaan werken –
dan kom je elkaar vaker tegen; soms is dat even teveel van het goede.

In de begintijd van een relatie is alles nog geweldig.
Elk moment is fijn en er zijn vlinders en het is spannend en bijzonder.
Ja dan is volhouden niet moeilijk. Maar als je dan de eerste keer
langere tijd bij elkaar bent, dan maak je ook de gewone momenten mee:
dat je een keer je dag niet hebt, moe bent of chagerijnig.
Dan kom je achter de mindere kanten.
En heb daar maar eens een leven lang liefde en geduld voor…
Ik hoorde iemand eens zeggen dat samen een tent opzetten,
de perfecte relatietest is. Dan kun je nog eens kijken,
of je geduld hebt met de ander, of je het een beetje volhoudt.
Vanmiddag denken we met elkaar door over: volhouden.
Volhouden om te geloven, om het uit te houden met God en elkaar.

Deze preek is de laatste van 3, in een serie over de Dordste Leerregels. DL
In de eerste keer ging het over God die je uitkiest,
zonder dat je daar iets aan hoeft te doen.
Vorige week ging het over geloof.
Dat is iets wat we ervaren dat we helemaal zelf doen.
God neemt ons daarin ook serieus. Maar als je doordenkt,
blijkt dat het mega–kado te zijn, iets wat ik zomaar gekregen heb.
En vanmiddag gaat het over volhouden.
De Dordtse Leerregels noemen dat: volharding der heiligen.
En ook daar zit dat dubbele in: ik moet volhouden, jij wordt aangemoedigd,
maar op de achtergrond blijkt dat God de drijvende kracht is.
Hij geeft me de energie en de kracht om vol te houden.
Ik het zou het alleen niet kunnen…
Hebreeen 12:2 vat het totaalplaatje eigenlijk perfect samen: Heb.12:2
Want het richt onze aandacht op Jezus, en hij is zoals de schrijver dat noemt:
de grondlegger, dus degene die begint,
én de voltooier, degene die het afmaakt.
De alfa en de omega, van mijn redding,
begin en einddoel, van mijn geloof.


Maar als we dan nadenken over uithoudingsvermogen, 3beelden
het volhouden, in het geloof, dan vind je in de bijbel een aantal beelden.
Je hebt het beeld van de wedstrijd, Paulus gebruikt het een aantal keer.
Een voorbeeld aan het eind van Paulus leven, daar zegt hij: 2Tim.4:7
“Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden.”
En ook in de brief aan Hebreeen zien we dat beeld: Heb.12:1
“Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn,
moeten ook wij de last van de zonde, waarin we steeds weer verstrikt raken,
van ons afwerpen en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt.”

Hardlopen lukt niet zo lekker met een zware rugzak op,
of als iedereen in een sportbroek rennen mag, maar jij moet zaklopen…
Dat zijn hordes en obstakels waar het nou niet makkelijker van wordt.
Zo wordt je aangemoedigd: Maak er voor jezelf geen hindernisbaan van.

Van het beeld van de wedstrijd, en een coach die best streng kan zijn,
zo komen we opeens een paar verzen verder een ander beeld tegen.
En dan zitten we meer in de ouder–kind–relatie. Hebreeen 12: vs5–7
“Kennelijk bent u de bemoediging vergeten die tot u als tot kinderen wordt gericht:
‘Mijn zoon, je mag een vermaning van de Heer nooit terzijde schuiven
en nooit opgeven als je door hem terechtgewezen wordt,
want de Heer berispt wie hij liefheeft, straft elke zoon van wie hij houdt.’
Houd vol, het betreft hier immers een leerschool,
God behandelt u als zijn kinderen. Welk kind wordt niet door zijn vader berispt?”

Het idee van berispen kom ik later op terug, plaatje moeder–fiets
het gaat nu even om het plaatje van een ouder, die een kind helpt.
Leren lopen aan de hand van.
Of achter het fietsje aanrennen, als de zijwieltjes er net van af zijn gegaan.
Een kind dat net leert schrijven en vol trots de hanepoten laat zien,
alsof het het mooiste schoonschrift is en de diepzinnigste literatuur.
Dat vinden vaders en moeders toch prachtig?
Dat is hoe je vandaag de ontwikkeling van een kind ondersteunt.
Zo doet God dat ook met ons geloof.

En dan is er nog een derde beeld. man–vrouw
Want de verhouding tussen God en mensen, tussen Jezus en de kerk,
wordt ook getekent in het beeld van een relatie, man en vrouw.
Kun je het je voorstellen: de Bruid, de kerk, die zoveel van Jezus houdt,
hand in hand lopend, of liggend innig omarmd.
Als je Hooglied zo wil lezen, kom je dat beeld tegen.
Het meisje zegt:Hgl.8:3,5a
“Mijn hoofd rust op zijn linkerarm, met zijn rechterarm omhelst hij mij.”
En even later ziet een koor het meisje met haar vriend lopen, en vraagt:
“Wie is zij, die daar komt uit de woestijn, leunend op de arm van haar lief? …”
Volharding der heiligen is: Jezus, die ons op handen draagt.
Hij houdt je op de been, Hij is een steun, op Hem kan je leunen.
Hij draagt je, door de woestijn. Met hem kun je het volhouden.

Drie beelden dus: 3beelden
Het beeld van de wedstrijd, en de coach die je aanmoedigd,
het beeld van een ouder en een kind, dat opgevoed wordt,
en het beeld van een verliefd paartje.
Deze beelden helpen om te begrijpen hoe we ons geloof zullen volhouden.

Zo gaan we naar de kerk; dat noemden we vroeger een godsdienstoefening:
een training in het dienen van God en je aandacht op Hem richten.
Hier verken je het parcours; krijg je aanwijzingen voor de wedstrijd.
Soms is het ook een oefening in het verdragen van elkaar,
als er om wat voor reden iets is om je aan te irriteren.
Of dat de voorganger is, of de liederen, of de techniek,
dit is een training tot geduld, tot liefde voor elkaar.
Ook thuis kan je oefenen, in je eigen stille tijd,
het zoeken van God, richten van je aandacht op Hem.
Het samen bidden aan tafel, lezen bij het eten, en doorpraten.


Maar met al dat oefenen van ons; soms wordt je de training moe. zwart
En kinderen worden pubers, en nemen even niks meer van je aan.
Dan ben je als ouder irritant.
En zoals ik in de intro al noemde, dat geldt toch ook voor onze relaties?

Helpen deze beelden dan, in ons nadenken over volhouden?
Mag je dat ook toepassen in de relatie tussen God en mensen?
Durven we elkaar ruimte te geven
durven we elkaar los te laten, als het even teveel van het goede is?
Mag je dit eigenlijk wel betrekken op de verhouding tussen God en mensen?
Want het roept wel die vraag op.
Zoals je als mensen onderling iets kan hebben wat gaat irriteren,
waar je geduld voor nodig hebt, om het vol te houden met elkaar,
zijn er dan soms ook kanten van God die me dwarszitten?
Is er soms iets mis met hem, wat ik van hem verdragen moet?
Ik durf het niet te zeggen.
Het is zo vaak andersom. Wat heeft God een geduld met mij!

De schrijver van Hebreeen benoemt dat ook, daar aan het kruis H12:3
zie je het uithoudingsvermogen van Jezus. Hij was een volhouder:
“Laat tot u doordringen hoe hij standhield
toen de zondaars zich zo tegen hem verzetten”

En door te kijken naar Jezus’ volhouden,
mag je weten dat ook jij daarvoor de moed en de kracht krijgt.
“… opdat u niet de moed verliest en het opgeeft.”
Kijken dus, naar Jezus, naar de manier waarop hij het volhield tot het eind.
Hij is vasthoudend, van de lange adem,
zelfs als hij zijn laatste adem uitblaast.

God heeft geduld met mij.
En God geeft me ook de kracht om te blijven geloven.
De Dordtse leerregels beschrijven vrij uitgebreid
hoe het geloofsleven kan gaan. Met ups en downs.
In het eerste stukje wordt een schets gegeven van een gelovige. DL.V.1
“De mensen die God naar zijn voornemen tot de gemeenschap met zijn zoon, onze
Heere Jezus Christus, roept en door de Heilige Geest doet wedergeboren worden,
verlost Hij wel van de heerschappij en slavernij van de zonde, maar hij verlost hen
in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam van de zonde.”

Je herkent in dit stukje ook waar het in de vorige 2 preken over is gegaan.
Namelijk dat God je roept, kiest.
En dat God je geloof geeft, opnieuw geboren.
Maar dan is het eigenlijk best wel een reele vraag:
Als God alles geeft, hoe zit het dan met het kwaad?
Als God me bestuurt en beschermt, waarom beschadig ik anderen dan nog,
kies ik nog zo vaak voor mezelf, en lijk ik nog niet zoveel op Jezus?
Alles is toch volbracht, waarom zie ik dat nog zo weinig?
En het antwoord is dat in deze wereld, in mijn lijf,
de zonde zo diep is genesteld. Ook al ben ik niet slaaf,
soms ben ik zo stom om de duivel toch zijn zin te geven.
We zitten nog vast aan het lichaam van de zonde.
Zo leggen ze het verder uit: DL.V.2
“Hieruit komen de dagelijkse zonden van zwakheid voort;
ook aan de allerbeste werken van de heiligen kleven gebreken.
Dit is voor hen steeds weer een reden om zich voor God te verootmoedigen,
hun toevlucht te nemen tot de gekruisigde Christus
en om de neiging om te zondigen hoe langer hoe meer te doden
door de Geest van de gebeden en door heilige oefeningen in godsvrucht.
Zo hunkeren zij naar het einddoel van hun geloof, de volmaaktheid,
totdat zij van die lichaam van de dood verlost zijn
en met het Lam van God in de hemel zullen regeren.”

Dat is een mooi einddoel, een schitterend vooruitzicht.
Maar nu dan, nu we onderweg zijn? Hoe houd je het vol? DL.V.3
“Omdat deze overblijfselen van de zonde nog steeds in hen wonen
en zij door de wereld en de satan aangevochten worden,
zouden bekeerde mensen niet in Gods genade staande kunnen blijven
als zij aan hun eigen krachten werden overgelaten.
Maar God is getrouw. Hij bevestigt hen vol barmhartigheid in de genade
die hun eenmaal gegeven is, en Hij bewaart hen met zijn kracht
tot het einde toe.”

Dit is de volharding van de heiligen.
Wij zouden het onderweg niet overleven.
We kunnen niet op eigen kracht geloven. Maar God geeft ook dat.

En dan leggen ze uit hoe precies en waarom.
En dat het ook niet anders had gekundDL.V.4.1
“De macht van God, waardoor Hij de ware gelovigen in zijn genade
bevestigt en bewaart, is groter dan de macht van het vlees.
Anders zou zij (d.i. de macht van God)
door de macht (van het vlees) overwonnen kunnen worden.”

Het kan niet zo zijn, dat mijn zondigheid en zwakheid,
sterker is dan God.
Als God mij verlossing en een gaaf nieuw leven wil geven,
dan gebeurt dat ook zo. Kan niet anders.
Maar dat roept wel de vraag op, of God dan verantwoordlijk is,
voor de fouten die ik maak. Of mijn zonde eigenlijk zijn schuld is.
Want hij geeft het dan dus even niet.
“Maar toch worden bekeerde mensen niet altijd zó door God geleid en bewogen,
dat zij in bepaalde daden nooit door eigen schuld van de leiding
van Gods genade kunnen afwijken
en door de begeerten van het vlees verleid worden en daaraan gehoor geven.”

Als je verleidt wordt, als ik me laat inpakken door een slechte gedachte,
of foute daad, dan kan ik niet God de schuld geven.
Ik ben nog steeds verantwoordlijk.
Maar tegelijk ben ik niet zo sterk, dat ik tegen God opkan,
de macht van de zonde is niet zo sterk dat het God teveel wordt.
Gods macht is groter, dan mijn fouten, dan alle gebrokenheid hier.
Ik snap dat de Dordste leerregels het zo zeggen.
Maar zie je ook dat het logisch eigenlijk niet klopt?
Dit maakt het soms lastig om te geloven, vind je niet?
Toch denk ik dat je allebei moet zeggen

Hoe gaan ze dan verder? Hoe met je als gelovige, omgaan,
met die slechtheid die zo diep in ons zit? DL.4.2
“Daarom moeten zij voortdurend waken en bidden
dat ze niet in verzoeking geleid worden.
Als zij dit nalaten, kunnen ze niet alleen door het vlees,
de wereld en de satan meegesleept worden in zware en afschuwelijke zonden,
maar dat gebeurt dan soms ook echt, onder Gods rechtvaardige toelating.
Dat wordt bewezen in de droevige val in de zonde van David, Petrus
en andere heiligen, zoals die voor ons in de Schrift beschreven worden.”

Eigenlijk zeggen ze hier, dat de bijbel voorbeelden geeft,
dat we als mensen zwak zijn, en fouten maken.
Dat is niet bedoeld als goedmakertje, alsof het niet zoveel uitmaakt.
Als excuus naar God toe, tja, u moet ook een beetje geduld met ons hebben.
De aanmoediging, hou vol, betekent niet, blijf maar lekker zo doorgaan.

Dit zeggen ze dan:DL.V.5
“Door zulke grove zonden roepen zij op ernstige wijze Gods toorn op,
zijn zij des doods schuldig, bedroeven zij de Heilige Geest
en zijn zij voor een tijd nalatig in hun geloofsoefeningen.
Zij verwonden ernstig hun geweten en verliezen soms
voor een tijd het besef van genade.
Totdat zij door ernstig berouw op de goede weg terugkeren
en Gods vaderlijk aangezicht weer over hen gaat lichten”

Er is altijd een weg terug.
En het punt is niet, dat jij je dus moet omkeren, berouw van jou afhangt,
maar dat God de volharding geeft, dat hij ervoor zorgen zal,
en dat dat besef van Gods liefde weer terugkomt.DL.V.6
“Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt de Heilige Geest niet helemaal weg
ook niet als zij op droevige wijze in zonden vallen.
Ook laat Hij niet toe dat ze zo diep in de zonde vallen,
dat ze de genade van de aanneming tot kinderen
en het wonder dat ze door God gerechtvaardigd zijn kwijtraken.”

Dit is de kern. Als je kind van God bent, kun je dat nooit kwijtraken.
Hier zie je dat beeld van ouder en kind weer komen.
Je houdt nooit op om kind te zijn.
Niet als je wegloopt, niet als je stopt met luisteren,
niet als je het contact verbreekt. Je blijft zijn kind.
En Vader staat altijd klaar om zijn kinderen,
verloren of niet, jongste of oudste, met open armen op te vangen.
Vader staat geduldig te wachten.
Nouja, hij weet dat zijn kinderen thuiskomen, want hij zorgt daar zelf voor.


Goed. Dit is dat God geduld met ons heeft. Geduld van God
Ik vind het een beetje lang. En beproef een beetje jullie geduld.
Maar dit is misschien wel het mooiste onderdeel uit deze belijdenis.
God zorgt voor me, het werkt enorm bevrijdend en bemoedigend.
En tegelijk hoor je de belijdenis zoeken naar woorden.
Hij neemt onze verantwoordlijkheid serieus.
Mijn zonde is nooit zijn schuld, maar de mijne.
Maar de kracht van de zonde is niet zo sterk,
dat ik de genade die God me geeft, kan weerstaan.
Ik kan niet bij hem weg. Ik val niet uit zijn hand.

God heeft dus geduld met mij. Dat is het beeld van een liefdevolle vader.
Maar maak ik het nu mooier dan het er eigenlijk staat?
Ik had beloofd dat ik zou terugkomen op dat berispen.
Want daar hebben we het nog niet over gehad. Wat is dat:
“de Heer berispt wie hij liefheeft, straft elke zoon van wie hij houdt”
Is dan het geduld even op? Is vader dan de stenge opvoeder,
die een draai om de oren geeft, en dreigt met een pak slaag? Tough love.

Opvoeding gaat in elke tijd op een andere manier.
Ik denk dat het helpt om er op deze manier naar te kijken.
Als een kind geen zin heeft om te luisteren, dan heeft berispen geen zin.
Een tiener legt het misschien naast zich neer, moet het zelf ontdekken.
Ik denk dat Vader zijn puberale kinderen ook die ruimte geeft.
Om te dwalen, om het zelf uit te zoeken.
Hij incasseert alle pijn die hem dat doet,
maar weet hoe het uiteindelijk uitpakken zal: Goed.

Maar heb jij die ruimte? Geduld met God
Ik vroeg eerder: is er iets aan God waar ik me aan irriteer?
Is er iets mis met hem, wat ik van hem verdragen moet?
Nouja… Dat kan dus ook dit zijn he?
Het geduld van God is zo groot, dat jij er ongeduldig van worden kan.
Hij geeft zoveel ruimte, dat jij het er benauwd van krijgt.
Vertrouwen wij God?

Of iets anders waar je het met God moeilijk mee kan hebben:
Dat alles van hem afhangt vinden we niet altijd makkelijk.
Vertrouw jij God, geloof je dat hij je alles geeft?

En als je nu een beetje een zwaar gevoel hebt
van de stukken die we net lazen,
de stukken over zonde en hoe serieus dat eigenlijk is,
als je dat een beetje teveel van het goede vond, ik kan het snappen.
Maar ook dan wil ik je vragen om geduld te hebben met God.

Een kind ziet niet altijd alles goed. Neemt niet altijd alles aan zijn ouders.
Kan het zijn dat we ons eraan irriteren omdat we geestelijke pubers zijn?
Volgens mij hoort bij geestelijke volwassenheid,
dat je hebt leren inzien dat Vader zo gek nog niet is.
Wat je dan geleerd hebt, is geduld met God. Hij is de ware en het wachten waard.
Ik durf niet te zeggen dat ik al zo volwassen ben.
Ik ben ongeduldig naar God toe,
verlang vurig naar het goede, maar in mijn leven is het soms een chaos.
Maar juist daarom ben ik zo dankbaar met Gods geduld.
En ik wil leren luisteren naar een vermaning.


Zo zitten we hier in de kerk, als een verzameling van gelovigen, elkaar
kinderen in het geloof, opstandige pubers, geestelijk volwassen gelovigen.
We zitten hier samen. Ook aan elkaar gegeven.
God heeft met ons allemaal geduld. En in Romeinen komt deze lijn samen.
God geeft ons allemaal de volharding. Hij heeft ons allemaal aanvaard,
nou moeten jullie met elkaar leren omgaan.Rom 15:5–7
“Moge God, die ons doet volharden en ons troost geeft,
u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt.
Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen
aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.
Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.”

Hier ontdek je, en wijs je jezelf en anderen elke keer op Jezus.
De geliefde, bij wie je in de armen wilt vallen. Die je op handen draagt:
Want Jezus is de grondlegger, degene die begon, die je uitkoos.
Jezus is ook de voltooier, degene die het afmaakt.
En wij zitten daar tussenin.
Tussen begin en einde. En dat is soms moeilijk, maar hou vol. spreuk
Maar hij heeft het geduld, en hij geeft het ons,
om geduld met hem te hebben. Ook dat is volharding der heiligen.
En hij geeft ons aan elkaar, heiligen, als oefenplek om het uit te houden.
Ik kwam een mooie spreuk tegen, en met die doordenker wil afsluiten:

Geduld met anderen is liefde,
geduld met zich–zelf is hoop,
geduld met God is geloof (Adel Bestavros)

Amen


online delen:

tag geduld Dordtse Leerregels kerk kind van God

Deze preek maakt deel uit van een serie: Dordtse Leerregels
Ter gelegenheid van 400-jaar synode van Dordrecht. Over gekozen worden(1), geloof krijgen(2), en volhouden(3).

  1. Ef. 1:04-6 - De kiezer heeft altijd gelijk
  2. 1Kor. 1. 26-31 - Blij met geloof
  3. Heb. 12:02a - Geduld van en met God (huidige pagina)

Meer preken uit Hebreeërs