Votum met Opwekking 640 Groet LL Ps 116: 1,3,6 Wet GK 133:1,4,5 (de dag gaat open) Gebed (kinderen naar KBC) T: Jona 2 Opw 727 (PvN16 Ik val niet uit zijn hand) luisterlied of begeleidt? L: 2 Tim 2:1-13 Preek PS 119a:1-4 (Uw woord omvat mijn leven) Kinderen terug Gebed Collecte Opw 520: Wees mijn verlangen (5 verzen) Zegen

Gemeente door Jezus Christus geliefd.

Nou, die komt d’r wel!
Je zegt het wel eens over jonge succesvolle mensen.
Heb je net je examens gehaald,
weer een jaar verder met goed resultaat, goede beoordeling,
en het loopt gewoon lekker.
Bezig met een nieuwe opleiding, en alles klopt.
En blijkbaar straal je dat uit. Zelfverzekerd, vol vertrouwen.
Heb je alles onder controle, dit komt goed.
En de mensen die dat zien, zeggen dan:
Die gaat het maken. Die komt er wel.

Waar of wat is dat ’er’?
Wat is dat ’het’, wat ze maken? Succes, geluk, welvaart?
Je zou kunnen zeggen dat Jona precies in de tegenovergestelde situatie zit.
Als weggelopen profeet heeft hij niet echt succes.
In het water gegooid, is dat echt geluk; zinkend in de zee?


Jona zegt: “Nu mijn levensadem mij verlaat roep ik u aan, HEER,
en mijn gebed komt tot u in uw heilige tempel.”
(2:8)
Nu het moeilijk is, kom je weer terug bij God?
Ja, lekker is dat!
Beetje op het laatste moment terugvallen op Gods genade;
Is dat niet een beetje goedkoop?

Lijkt een beetje op die werkers van het laatste uur,
weinig werk, maar wel een goede beloning.
Of op de man aan het kruis, die op het laatste moment
door Jezus welkom wordt geheten in het paradijs.
Genade voor mensen die het niet verdienen;
dat was nou precies waarom Jona niet naar Ninevé wilde.
Voor mensen die niet zo trouw waren als hij,
voor mensen die eerst lekker makkelijk konden doen wat ze wilde,
en dan op het nippertje gered worden.
Nu blijkt hijzelf dat nodig te hebben.

Het is echt opvallend dat Jona nu opeens bidt.
Er is wat veranderd. Toen hij eerder op de boot zat, en de storm kwam
waren alle mannen aan boord aan het bidden of hun leven er vanaf hing.
Het was ook zo. Hun leven hing er van af. In hoofdstuk 1 staat hoe …
“… de zeelieden [bang werden], en ieder riep tot zijn eigen god om hulp.”(1:5)
Maar de enige God die luisteren kan, die werd niet aangeroepen.
Want Jona bad niet; hij lag in het ruim een lekker dutje te doen.

Weggelopen was hij nog niet aangekomen op het dieptepunt,
nog niet ver genoeg gezonken om het te zien dat hij terug moet naar God.
Pas in het water dringt het tot hem door.
Jona keek neer op mensen zonder God, die niet geloofden in zijn God.
En hij gunde ze Gods goedheid niet.
Misschien was hij wel erg blij met zichzelf; ik kom er wel…
Maar nu heeft hij zelf Gods goedheid nodig.
“Nu mijn levensadem mij verlaat roep ik u aan, HEER,
en mijn gebed komt tot u in uw heilige tempel.”

Laten we niet neerkijken op mensen met een late bekering,
op wie God er pas bij roepen als het hen uitkomt.
Want gezonde mensen hebben geen dokter nodig, Luc.5:31
en loyale en trouwe mensen geen relatietherapie.
Maar juist voor zulken is Jezus gekomen.
Om Farizeeën te leren dat ze toch wat onder de leden hebben,
en figuren als Jona, dat ze eigenlijk net zo ontrouw zijn,
als de heidenen waar Jona tegen preken moet.
“Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten u, trouwe God.” (2:9)
Dat is wat Jona ontdekt, hoe makkelijk God te verlaten is,
hoe makkelijk we bij hem wegrennen,
en dan uiteindelijk verzinken in onze ontrouw.

Gelukkig ben je, als je niet wegloopt, God niet verlaat;
als je God dient op de plek waar je zit. Met hem leeft.
We worden niet allemaal geroepen
om naar Ninevé te gaan en te preken, gelukkig maar.
Ik zou denk ik ook gillend wegrennen als ik naar ISIS gebied moest.
U niet? Maar op de plek waar God ons onze dingen te doen geeft,
als je daar gewoon trouw je ding doet.
Het alledaagse werk, het zorgen voor je kinderen, of je ouders,
je naaste en jezelf; het is goed als je dat trouw doet.

Het verhaal van Jona van vanmorgen laat zien,
dat als we zouden weglopen bij de taak die God gaf,
hoe we dan weer kunnen terugkomen.
Gelukkig ben je als je niet wegloopt,
als je niet de strijd opgeeft maar blijft volhouden.
Maar ook de weggelopen Jona vindt zijn weg terug,
omdat hij ontdekt dat onze ontrouw nooit opweegt tegen Gods trouw.
Paulus zegt dat zo: 2Tim 2:11–13
“Deze boodschap is betrouwbaar:
Als wij met hem gestorven zijn, zullen we ook met hem leven;
als wij volharden, zullen we ook met hem heersen;
als wij hem verloochenen, zal hij ons ook verloochenen;
als wij hem ontrouw zijn, blijft hij ons trouw,
want zichzelf verloochenen kan hij niet.”

Dat laatste is het: God is trouw aan zichzelf,
zou God Jona maar opgeven en laten wegrennen,
dan is God ontrouw aan zichzelf, zou hij zichzelf verloochenen.
En dat doet God dus niet.
Hij laat zijn kinderen niet gaan.
We kunnen wel wegrennen bij God, maar toch niet echt.
Dat is wat de trouw van God betekent.
Dat is wat het betekent dat Hij de God van hemel, zee en aarde is.
Hij is overal, alles is van hem, alles bij hem in beeld;
Ik val niet uit zijn hand.


Dat is waarom Jona bidt: God hoort, hij is trouw,
altijd afgestemd op onze stem, ons roepen.
Dat is precies waar Jona zijn gebed mee begint:
“In mijn nood roep ik de HEER aan en hij antwoordt mij.
Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp – u hoort mijn stem!”
(2:3)
“mijn gebed komt tot u in uw heilige tempel” (2:8b)
Het gebed van Jona komt er wel.

En wat is dan hier het ’er’? – Dat is de tempel.
Op het moment dat hij wegzinkt, en denkt te sterven,
is dát de plek waar hij naar verlangt.
Het maken, de wens er te komen, is niet gericht,
op een bucketlist die hij niet heeft kunnen afmaken.
Nee, hij heeft een verlangen naar God,
terug te komen bij hem die hij had verlaten.
In het slijk, in het water, zonder de vaste grond onder zijn voeten,
voelt hij wat zijn rotsbodem is.
Ook al voelt hij het niet, ervaart hij het tegenovergestelde,
tuimelend onder water stuit hij op God die zijn houvast is.

Hij schreeuwt de longen uit zijn lijf.
Van de zeebodem een schreeuw naar de hemel.
Hij is zijn gebed. Dat is even alles wat hij is. Hij is wanhoop op bekering.
Maar hij is gehoord. Ook al is hij bedolven, het water dempt zijn roep niet.
Geen watervloed, geen storm, geen weerstand,
kan voorkomen dat God je gebed hoort.
Jona gelooft dat God hem horen zal.
Dit geloof overstijgt de ervaring van bedolven zijn,
Hij denkt verstoten en verbannen te zijn, toch bidt hij.
Jona zegt dat zijn gebed er wel komt,
“mijn gebed komt tot u in uw heilige tempel”

Dit is onderwater–geloof.
Juist als het er niet naar uitziet dat je het zult maken.
als mensen niet zeggen: die komt er wel – als het lijkt
alsof je het niet zult maken – geen succes, geluk, of welvaart,
juist dan, is je roep niet maar een oppervlakkige roep,
als je je gebed bent, je je wezen naar God toe uitschreeuwt,
dan is God er voor je.
En schept hij een wereld waarvan je niet snapt dat het bestaat.
Letterlijk, hoe dat zit met de vis,
en hoe Jona daarin 3 dagen kan overleven, geen idee hoe dat zit.
Maar dat is precies het punt van onderwater–geloof,
dat als ik het niet snap, als ik denk dat het niet kan,
ook als je het spiegelbeeld ervaart,
als je niet ziet wat je wel gelooft.
Juist dan geloof je tegen de klippen op.


Jona denkt dat hij zal sterven, en beschrijft dat uitvoerig:
“U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee,
Door kolkend water ben ik omgeven,
zwaar slaan uw golven over mij heen”
(2:4)
en even verder: “Het water stijgt tot aan mijn lippen,
muren van water storten op mij neer, zeewier om mijn hoofd verstikt mij.
Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen,
naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.”
(2:6)
– Tegelijk gelooft Jona op de een of andere manier
dat het goedkomt met hem. Met hem zelf.
Niet door zijn sterven heen:
dat het ooit goedkomt omdat hij naar de hemel gaat, ofzo.
Daar heeft hij het niet over.
Nee, hij gelooft dat hij zijn bekering lijfelijk zichtbaar mag maken,
door weer in de tempel te verschijnen.

“Maar eens zal ik opnieuw uw heilige tempel aanschouwen” (2:5b)
Hij gelooft niet alleen dat zijn gebed in de tempel komt,
maar ook hijzelf: Ik kom er wel.
Dit is bijzonder.
Terwijl hij beschrijft hoe hij denkt zinkend te zullen sterven,
zegt hij dat hij opnieuw de tempel zal zien.
“Ik zal mijn stem in dank verheffen
en u offers brengen; mijn geloften los ik in.”
(2:10)
Wat Jona heeft belooft verwacht hij waar te maken.

Net als de mannen op het schip die Jona overboord gooiden,
die deden ook beloften aan God, zo ook Jona.
Hij gelooft zo zeer tegen de ervaring in; tijdens het verdrinken
vindt hij het zinvol om over zijn toekomst na te denken.
Een toekomst met God, een toekomst waarin hij nog wat wil betekenen.
God wil geven, van zijn tijd, zijn liefde.
Van zijn succes en welvaart.
Als hij zou denken snel te sterven, dan is het goedkoop,
snel op je sterfbed nog wat vrome woorden.
Maar dat heeft Jona nu afgeleerd.
Zijn gelofte laat juist de echtheid van zijn bekering zien.

Zowel Jona als degenen die met hem in het schip zaten,
voelen hoe natuurlijk het is om God iets te willen geven.
Geloften te doen. Dat is het blijkbaar het effect
wat Gods aanwezigheid in de storm op mensen heeft.
De niet–gelovige schippers doen God geloften
als ze zien dat God ze heeft gered;
Jona, met dat spiegelbeeldige onderwater geloof,
doet God geloften als hij nog niet is gered.

Heb jij het het verlangen wat aan God te geven,
zoals de schippers of als Jona dat hadden?
Voor iets wat je hebt meegemaakt, een concrete ervaring
of als dank voor wat je gelooft dat je krijgen zult,
tegen alle ervaring in?

Maar daarvoor moet het wel gestormd hebben.
En benoemen we dat wel zo?
Of is je leven zo spiegelglad, dat je nog niet koppie onder bent?
Ik ben eigenlijk opzoek naar een bekeringsverhaal,
niet omdat ik geloof dat je op de seconde precies,
dat vertellen moet, maar wel als bevestiging.
Bij Jona is na zijn doop duidelijk die ommekeer te zien. Toewijding.

Als ik tegenslag hebt, mijn geluk overspoelt wordt door ellende,
is het dan het huis van God waar ik naar verlangt?
Zeg ik, mijn gebed komt wel bij God?
Jona liep eerst heel bewust weg,
maar nu verlangt hij weer terug.
Hij keert zich om. En je ziet hoe God,
door het water, vanuit een weg die eerst doodliep,
na bekering, nu echt een nieuwe wereld schept.
Met vissen die we niet kennen, en adem als er geen lucht is,
en vanuit het diepste diep, zicht op God tussen het zeewier door.
Als je terugkeert naar God, is er nieuw land in zicht.


Jona is een bekeringsverhaal dus.
Nu we ons spiegelen aan Jona komt de vraag bovendrijven:
Moeten we het dan nu toch zelf maken? God geloften doen?
Of moet ik tegen u zeggen: jullie komen er wel,
omdat jullie zo goed zijn in bekeren,
of nog beter zijn omdat je geen omkeer nodig hebt?

Ik wil het omdraaien, zoals hoort bij onderwater–geloof.
Het is Jezus die zegt: Ik kom er wel, zink naar je af,
ik kom je halen, vanuit het diepst van de zee.
Door de heftigste storm,
ik stort me voor je op de klippen.
Geef me drie dagen en drie nachten.
Dan schep ik een nieuwe wereld: beloofd land in zicht!

Amen


online delen:

tag water trouw verlangen tempel Jona

Deze preek maakt deel uit van een serie: Jona
Twee preken uit 2017; de eerste bij een doopdienst, de tweede over bekering. Aangevuld met een oudere preek, over hoofdstuk 3 en 4, verzoening.

  1. Jona. 1 - De doop van Jona
  2. Jona. 2 - Die komt er wel (onderwater-geloof) (huidige pagina)
  3. Jona. 4 - Grote Verzoendag

Meer preken uit Jona