Votum en groet (gesproken) OTHN 568 (Help mij om stil te zijn) (Filmpje familie R) Gebed Wet PvN 15 (Wie mag o God, bewonen) Toelichting op het boek Job Job 31:16-40 (Jaap leest) DNPs 26:1-3 (Doe recht, Heer, spreek mij vrij) Job 38:1-7 (Anita) Job 40:3-5 (Jaap) Job 40:6-14 (Anita) Job 42:1-6 (Jaap) Job 42:7-8 (Anita) Preek over Job 31:35-37 Opw 770 (Ik zal er zijn) Uitleg Menti-meter NLB 221:1-3 (Zo vriendelijk en veilig als het licht) Gebed Zegen gesproken amen

Toelichting bij de lezing.
Voor we gaan lezen, een klein stukje contekts.
Ik heb nu twee middagdiensten uit Job gepreekt.
Een eerste keer uit de eerste hoofdstukken,
en daar ging het over die moeilijke vraag,
hoe dat nou zit met God en de duivel, en die ellende.
Maar Job zei over God geen kwaad woord.

De tweede keer ging het over verwondering.
Na die hele filosofische discussies tussen Job en zijn vrienden,
komt Elihu, de laatste vriend,
die ons, op een goeie manier op onze plek zet.
En ons laat verwonderen over de grootheid van God.

Nu wil ik in deze lijdenstijd nog één keer naar Job kijken.
We kijken naar de reactie van Job, en naar het antwoord van God.
En dan gaan we nogmaals naar woorden van Job kijken.
En wat dat nu zegt over Jezus,
in deze weken op weg naar zijn lijden en sterven.

We gaan zo lezen, en dan vallen we midden in Jobs laatste betoog.
Hij verdedigt zich tegenover zijn vrienden.
Die zeggen dat Job lijdt omdat hij vast iets fout heeft gedaan.
Maar Job weet zeker dat dat niet klopt.
Hij stelt ze vragen: heb ik ooit iets verkeerd gedaan?
Zo wil hij zijn onschuld bewijzen.

Ik lees Job 31:16–40, en daarna zingen we uit DNPs 26:1–3


Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vind je hem ook zo brutaal? Die Job.
Zou je dat ooit durven te zeggen?
Door zijn vrienden wordt hij gedwongen om zichzelf te verdedigen,
en zo zegt Job hier hele grote dingen.
Hij doet dat in vraagvorm: Heb ik ooit..?
Heb ik ooit naar andere vrouwen gekeken? (31:1, 8)
Heb ik ooit het pad van bedrog bewandeld (31:5)
En het antwoord is natuurlijk: Nee, zo ben ik niet.
Ik ben niet slecht, ik ben echt onschuldig.

In onze economisch spannende tijden,
komen de dingen die Job zegt wel dichtbij: Job 31:24,25
“Heb ik mijn hoop gevestigd op goud,
van het fijnste goud gezegd: “Daarop vertrouw ik”?
Heb ik mij verheugd over mijn vermogen,
omdat ik eigenhandig zoveel had verworven?”

Job stond bekend als de rijkste man van zijn tijd.
En juist hij stelt die vraag: Heb ik er ooit een afgod van gemaakt?
Hij kan zeggen: – Nee. Ik ben onschuldig.

Job gaat verder: Of ben ik dan vergeten om voor de armen te zorgen?
Ben ik hebberig geweest, of jaloers, heb ik misbruik gemaakt van mijn macht,
Kortom, heb ik ook maar iets fout gedaan?
Het antwoord wat Job voor zichzelf geeft is: Nee, Nee, nog eens Nee.
Ik heb niets fout gedaan. En het is haast alsof hij zegt:
Kom maar op God! Verdien ik dit?

Job is aan het uitrazen, en dan zegt hij dit,
en daar wil ik in deze preek bij stilstaan.Job 31: 35–37
“O, wilde er maar iemand luisteren!
Ik sta in voor wat ik heb gezegd.
Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven,
laat mijn tegenstander zijn klacht boekstaven!
Dan zou ik die op mijn schouders dragen,
als een krans zou ik hem om mijn hoofd vlechten.
Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen,
fier als een vorst treed ik hem tegemoet.”

Vind je hm ook zo brutaal?


Zijn vrienden probeerden Job schuld in de schoenen te schuiven.
Jou leven loopt nu zo, en dat komt vast omdat je iets verkeerd heb gedaan.
Door die vrienden krijg ik wel even een pijnlijke spiegel voorgehouden.
Want het is een gereformeerde reflex.
En ik herken hem in mijzelf, en misschien heb jij dat ook wel,
om te zeggen dat dat fout is van Job. Dat mag je niet zo zeggen, Job!
Want we zijn toch geneigd tot alle kwaad?

Ik weet bij mezelf dat verkeerde neigingen
er dieper inzitten dan ik zou willen.
Ik zou niet alle woorden van Job durven te herhalen.
Maar ik leer van zijn rechtlijnige vrienden ook, dat het zó niet moet.
Laat ik het maar bij mezelf houden.
En als iemand eerlijk voor God kan zeggen dat het goed zit,
laat me daar dan niet aan twijfelen.

En zo heb je van die psalmen, die je ook leren zingen,
om jouw goedheid bij God te brengen:
Psalm 15: Heer, wie mag bij U wonen?
“Alleen wie doet wat recht is, wie recht door zee en echt is.” Ps.015 (pvn)
Of Psalm 26 “Doe recht, Heer, spreek mij vrij,
u vind geen kwaad in mij… ik ben onschuldig”

Er is dus ruimte om dat te zeggen.
De bijbel geeft je de ruimte om dat tegen God te zeggen.
Zelfs als je denkt dat het te brutaal is.


Toch is dat niet makkelijk.
Want als God zich eerst tot Job richt lijkt het,
alsof hij er flink van langs krijgt.
We hebben het gelezen dat God zegt:Job 40:8
“Wil je mijn recht loochenen, wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuitgaan?”
Job weet dat hij onschuldig is, maar dat maakt God niet schuldig…

Op dit punt fluit God Job terug.
En Job trekt zijn woorden ook in.
Hij raakt vol ontzag, vol verwondering.
Maar er zijn twee echt opvallende dingen aan Gods antwoord.

En het eerste is dat God het eigenlijk niet zo over goed of fout heeft.
Helemaal aan het begin van boek
heeft God van Job gezegd dat er niemand zo rechtvaardig was als hij.
God ziet het dus echt wel, of je goed doet, of niet.
Maar nu Job zich moet verdedigen, gaat God daar helemaal niet op in.
Hij is nu niet bezig met goed of fout.
In een tijd van corona vraag je misschien: hebben we dit verdiend?
of denk aan die discussies of dit een straf zou zijn;
in het boek Job is God helemaal niet met die vraag bezig.
Hij vraagt vooral, zie je wel hoe groot ik ben?
En we voelen verwondering en ontzag.

En het tweede wat opvalt (dat waren de laatste verzen die we lazen):
God is echt boos op die zogenaamde vrienden van Job.
“Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden,
omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken,
zoals mijn dienaar Job.”

Laat die laatste woorden even tot je doordringen.
Jullie hebben niet juist gesproken, zoals mijn dienaar Job.
Dus Job heeft niets verkeerd gezegd!
Hij zei dat hij onschuldig was, en dat was hij ook.

God zegt niet dat hij boos is op Job.
Tegen Job stelt hij alleen maar tegenvragen.
Als Job zegt: Kom maar op God!
Zegt God terug: ok, weet je dat zeker, jongen?
Maar God is dus niet boos, en zegt zelfs dat Job niet verkeerd
van God gesproken heeft. Hij was niet te brutaal.

God vroeg wel: “wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuitgaan?”
En die vraagt betekent eigenlijk: Is God schuldig?!
En het antwoord is natuurlijk: Nee, Nee, nog eens Nee.
En Job krabbelt terug.
Maar iemand anders krabbelde niet terug.
Uiteindelijk zegt God namelijk op deze vraag: Ja.
Maak mij maar schuldig, zodat jij vrijuit kan gaan.
Zie Job vrijmoedig brutaal zijn, al zijn vragen naar God uitstorten.
En zie je God dat maar incasseren:
Kom maar met je pijn, met het onrecht.
Stort je vragen maar over mij uit.
En zelfs als je te ver zou gaan, zegt God krachtig
maar ook liefdevol: vergeet niet wie je tegenover je hebt.
Maar kom maar.
En Job heeft in dat alles niets verkeerd gezegd.
En daarmee verandert die vraag:
“Wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuitgaan?”
Zie je tussen regels door Jezus hier opduiken?
Want dat is precies waar Jezus’ jobslijden over ging…

Ik voel verwondering, hoe machtig groot de liefde van God is.
Ik voel ontzag. Want God laat aan Job zien wie hij is,
hoe veel groter dan wij. En dat laat hij zien,
doordat God zelf doet wat hij aan Job vroeg:
Jezus, die echt God is, laat zich zo meteen schuldig verklaren,
zodat al die kleine Jobjes en Jaapjes vrijuit gaan.


En als God dan zegt dat Job goed van hem gesproken heeft,
geeft dat ruimte om nog eens goed naar de woorden van Job te kijken.
Want wat zegt hij nou precies?
Als je wil mag je het er nog even bij pakken. Job 31, vanaf vs 35.

Het was overmoed van Job om te zeggen:
“ik kan mijn aanklacht wel op mijn schouders dragen,
ik zal het als een krans om mijn hoofd vlechten.”

Maar zoals Jezus mijn plaats inneemt, om mij vrijuit te laten gaan,
zo neemt hij ook de plaats van Job over,
en hij neemt ook de woorden van Job over.
Stel je het maar voor dat Jezus deze woorden zegt.

Hij treedt de Ontzagwekkende tegemoet,
om te kijken wat Gods aanklacht tegen hem is.
En Jezus is pas echt onschuldig.
Maar als er dan al wat tegen hem gevonden zou worden;
hij zal dat op zijn schouders dragen.
Zie je de houten dwarsbalk van het kruis al op zijn rug?
Jezus nam op zijn schouders: die niet te dragen last.
“Fier als een vorst treed ik hem tegemoet.”
Jezus is de koning, waarvan we ons zullen afvragen, is dit nou mijn koning?
Hij loopt naar God toe, om de aanklacht aan te horen.
Jobs ’kom–maar–op’, kreeg hij over zich heen.
En om zijn hoofd komt geen vrolijke krans,
maar één gemaakt van dorens die opschoten, in plaats van tarwe,
woekerkruid, in plaats van gerst.
En het overwoekert hem helemaal, tot het hem verstikte.

Dit is hoe dwars door de woorden van onschuld van Job,
geprofeteerd wordt over Jezus.
Dit is hoe Jezus onverdiend lijden op zich neemt.
Hier draagt iemand die echt onschuldig is,
het falen, het kwaad, de fouten van de wereld.


Job is een bijzonder boek.
Want terwijl Job en zijn vrienden, bezig zijn met de vraag,
of Job nu fout was, of niet,
… God geeft dat geen antwoord op.
De vraag hoe dat nu zit met het lijden,
… God geeft er geen antwoord op.
Niet met woorden.
Maar tussen de regels door, zie je God de pijn dragen.

Lazen we vorige week uit psalm 103,
hoe God ons kroont met liefde en trouw,
hoe hij het beste van zichzelf op ons plaatst,
om trots en fier als koningen te dragen.
De wonderlijke ruil werkt zo dat wij hem daarvoor mogen teruggeven:
al je vragen, je onbegrip, verwijten en angst
het verdriet om ziekte en dood.
Als de doornenkroon die zwaar op zijn hoofd drukt.
Al onze gebeden.
Maar Jezus zegt: “ik zal het als een krans om mijn hoofd vlechten.”
Amen


online delen:

tag schuld verzoening vrijmoedig theodicee typologie corona

Deze preek maakt deel uit van een serie: Job

  1. Job. 1:21 - Geen kwaad Woord
  2. Job. 37:16 - Verwondering die niet over-drijft
  3. Job. 31:35-37 - Jezus' job (huidige pagina)

Meer preken uit Job