Stilte Votum (NLB 291a) Groet, gesproken Amen NLB 413:1-3 (Grote God wij loven u) Gebed NLB 317:1-2 (Grote God gij hebt het zwijgen) L: Rechters 16:21-31 NLB 317:3 Preek GK 125:1-4 (Nieuwe GK 182) (Alles in allen zult gij voor ons zijn) Avondmaal Geloofsbelijdenis NLB 393: Als ik in deze stille tijd Viering Aan tafel: Heb 11:1-3, 32-40 GK 125:5,6 na de tafel Gebed om avondmaal af te sluiten Mededingen KR - ouderling - diaken Gebed Collecte Slotlied: NLB Ps 119a: 2,3,4 Zegen en Danish Amen

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Simson maalt graan. Hij, die sterke man,
doet het werk wat door slavinnen gedaan werd, of door lastdieren.
Aan alle kanten wordt hij bespot en vernederd.
Hij is een attractie geworden.
In plaats van aapjes kijken komen de Filistijnen Simson–kijken,
en ze kijken hun ogen uit; ogen die hij niet meer heeft.

Hij heeft dan niet een molensteen aan zijn nek,
maar hij laat de steen draaien.
Hij lijkt wel zelf verpulverd onder de last.
Het is met hem gedaan.


En laten we eerlijk zijn.
Simson is zo’n gekke redder, zo’n falende voorganger;
hij lijdt hier niet te onrechte,
nee, hij is gevallen, door zijn eigen zwak voor vrouwen.
We hebben het niet gelezen, maar in vers 1 van dit hoofdstuk,
leren we Simson kennen als een hoerenloper,
en overbekend is het verhaal van Delila, wat daarna komt;
aan wie Simson zijn geheim bekend,
stapje voor stapje geeft hij toe aan de verleidster.
Totdat het te laat is, hij ziet het niet aankomen.
Hij is gewelddadig en heeft gebrek aan zelfbeheersing.
Dit maakt het lastig om Simson te zien als redder,
als iemand die door God gebruikt wordt.
Is dit nu iemand die vol is van de Geest?

Omdat hij zo tegenvalt als voorbeeld,
is hij tegelijk heel menselijk, en als je het toelaat, als je durft,
dat maakt het mogelijk om je te spiegelen aan Simson.
Volgens mij is niemand hier een hoerenloper,
maar de manier waarop we soms verblind zijn door verleiding,
de manier waarop we stapje voor stapje toegeven, ingekapseld raken,
ik denk dat dat is hoe veel slechte gewoontes in ons leven komen.
Soms zelfs zonder dat we het doorhebben.
Ik denk dat we op Simson lijken in die geestelijke blindheid.
Beproef jezelf maar: laat ik me de kracht van de Geest ontnemen?
Laat ik me korten, door toe te geven aan verleiding?

… Maar juist dan klinkt er goed nieuws.
Op het dieptepunt, op het moment dat Simson in boeien is,
op het moment dat je je ogen uit je kop schaamt,
juist dan staat er zo’n subtiel zinnetje: R 16:22
“Maar zijn afgeschoren haar begon meteen weer aan te groeien.”
Ik kan met mijn zonden de Geest bedroeven.
Ik kan zo ver bij hem weglopen.
Maar kan ik ooit wegvallen? Kan ik uit zijn hand raken?
Is mijn zwakte dan echt zo sterk, dat ik God kan verlaten?
Ben ik sterker dan God, wordt mijn kwaad hem ooit te veel?
Nee, en onderhuids borrelt er wat.
Het teken van kracht, van Simsons toewijding,
van volheid met de Geest, dat was weg, maar groeit weer.


Simson maalt graan. Hij, die sterke man,
doet het werk wat door slavinnen gedaan werd, of door lastdieren.
Aan alle kanten wordt hij bespot en vernederd.
Geen doornenkroon, geen kruis,
maar wel een zware last die hij draagt: het is zijn eigen schuld.

Die molensteen is de wissel.
Óf het is de plek waar verraad en verleiding
wordt vernietigd; verdronken; Jezus zegt Mk 9:42
“Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt,
zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd.”

En dan zou Simson naamloos zijn vergeten, als falende verlosser.
Óf die molensteen is de plek waar je ego dan wel wordt geplet,
bespot en verguist, maar om tot bloei te komen,
bloem onder de molensteen. Of zoals Jezus het zegt: Joh 12:24
“Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.”

Het is alsof Simson dat hier ontdekt.
Hij wordt geplet, vermorzeld, maar zo wordt het graan, bloem,
en daar bakken we avondmaalsbrood van.

Simsons taak was om Israël te verlossen, te bevrijden.
In die rechterstijd heeft dat wat tragisch.
Had God Israël bevrijdt uit Egypte,
om op te bloeien, om vrij te zijn,
nu moeten ze opnieuw bevrijdt worden.
Niet alleen van de Filistijnen, maar ook van zichzelf.
Want als ze doen wat goed is in eigen ogen
zijn ze niet vrij om God te dienen.
Simson moest ze daarvoor de ogen openen.
Nu is hij een blinde leider. Zou hij in de avond van zijn leven
hebben teruggedacht aan die verhalen van bevrijding?

Op het hoogtepunt, op het moment dat God bevrijden ging
moest Mozes dit tegen de Farao zeggen: Ex 11:4,5
“Dit zegt de HEER: Tegen middernacht zal ik rondgaan door Egypte,
en dan zullen alle eerstgeborenen in het land sterven,
van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger,
tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen bedient,
en ook al het eerstgeboren vee.”

Ook Simson was de eerstgeborene van zijn vader,
Hij was 20 jaar leider van zijn stam. Nu maalt hij graan.
Als de eerste de beste slavin die de handmolen bedient.
De eerste is werkelijk de laatste geworden.
Zo is Simson alle personen geworden uit deze oproep van God,
deze aanzet tot bevrijding.
Tragisch laat het verhaal van Simson ook zien:
We moeten niet alleen van een vijand buiten–af verlost worden,
maar ook van alles wat gebroken is, in onszelf.
Hij, die sterke man, die bevrijder, heeft zelf bevrijding nodig.
Geen doornenkroon, geen kruis,
maar wel een zware last die hij draagt.
Zijn eigen zonden.


Simson wordt erbij geroepen,
want de Filistijnen hebben een entertainer nodig.
Laten we hem halen, “dan kunnen we lachen”.
Hij is het blindemannetje, hij is de buit,
Hij, die sterke man, die eerder met blote handen leeuwen uit elkaar trok,
is verslagen door een vissersgod: Dagon.
Aan de haak geslagen door de heidenen.
Het neusje van de zalm was daar.
De crème de la crème van de Filistijnse top.

En terwijl ze hun feest vieren,
hun brood eten en hun wijn drinken en vrolijk zijn,
en terwijl ze hun psalmen zingen, roept Simson de naam van de Heer aan.
“HEER, mijn God, denk toch aan mij!
Geef me alstublieft nog eenmaal genoeg kracht,
zodat ik me voor minstens een van mijn beide ogen op de Filistijnen kan wreken”

Oog om oog, tand om tand, Ex 21:24, Lv 24:19
Het is een korte vuistregel uit de wetten van God.
Voor ons klinkt het misschien wat hard, luguber,
het klinkt alsof Simson weer geweldig wil uitpakken.
Maar de bedoeling van die wet, oog om oog, tand om tand, is,
dat het rechtvaardig klinkt.
Jij betaalt wat het mij ook gekost heeft.
Heb ik je schade aan een oog gedaan,
dan is het eerlijk als ik dat ook voel.
Niets meer, uit wraak,
ook niet minder, uit een misplaats gevoel van medelijden.

Wat kost het God als zijn lieve uitverkoren kinderen,
worden onderdrukt, gekleineerd, als ze bevrijding nodig hebben?
Wat heeft het God gekost?
Aan reputatie, als de door hem aangestelde leider zo onderuit gaat?
Als hij bewijst dat we niet alleen bevrijd moeten worden van de ander,
maar ook van ons zelf, en het goed–doen in eigen ogen.
Wat kost het God, als jij die zijn naam draagt, niet opkomt voor die naam?
En wat kost het Hem, als we zijn mooie goede wereld,
vergeef me de woordspeling, naar de Filistijnen helpen?
Nog steeds voel ik me ongemakkelijk bij geweld in het oude testament,
maar ik wil wel geloven dat God eerlijk is.
Als hij een straf stuurt, is dat fair,
niets meer, uit wraak, maar ook niet minder.


Tegelijk, we zijn echt Gods kinderen, volgelingen van Jezus,
als we ons meer thuis voelen bij zijn woorden: Mt 5:38–40
“Jullie hebben gehoord dat gezegd werd:
“Een oog voor een oog en een tand voor een tand.”
En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet,
maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.
Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen,
sta hem dan ook je bovenkleed af.”

Mooie woorden, en groot contrast met Simson,
die met een ezelskaak op linker– en rechterwangen sloeg,
Die bij een verloren weddenschap 30 man doodde,
om hun onderkleden en overhemden cadeau te doen.
Hier, zo goed als nieuw…

Simson is zo anders dan Jezus. Maar ergens toch ook niet.
Bij de molensteen heeft Simson geleerd, om knecht te zijn,
om te lijden, de spot te verdragen.
Om af te laten sterven wat er niet OK is aan hem.
Simson moet niet alleen de vijand buiten verslaan,
maar ook, wat er wel goed is in eigen ogen, maar niet in die van God.
Hebben wij dat ook geleerd?
Voelen we ons echt beter thuis in Jezus’ woorden,
om onrecht, om het lijden te verdragen, dan maar vermorzeld te worden,
of zit dat dat o–zo–menselijke wraak willen nemen, er nog in?

Bij de molensteen kun je het leren:
“Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.”

Ook in mij moet iets sterven, wil ik vrucht kunnen dragen voor God.


Simson roept de naam van de Heer aan.
En geen haar op zijn hoofd die eraan twijfelde
of hij verhoort zou worden.
God, in zijn genade, vult hem met de Geest.
Alleen hij is onze kracht, in onze strijd tegen zonde.

En dan mag hij naar Jezus verwijzen,
en dan zie je dat in zijn dood,
ook de diepste vijand van God, de kwade macht, verslagen wordt.
Met zijn armen duwt hij de twee centrale zuilen omver,
waardoor het hele gebouw instort.
Zelfs in zijn houding, armen wijd, verwijst hij naar Jezus.
De afgoden, de spotters, ze worden gestenigd.
Simsons zelfmoord lijkt de handeling van een sombere, gefaalde man.
Door zijn kamikazeactie lijkt het alsof hij de spot niet langer aankon.
Maar misschien zag hij er iets van gerechtigheid in.
Dat hij voelde dat het terecht zou zijn
als hij gestraft zou worden voor zijn falen.
Om zijn loerende ogen die bleven rusten op teveel Filistijnse meisjes.
Het stelt zichzelf terecht, geeft zich over aan Gods recht.
Niet meer, niet minder.

Simson wordt geplet onder de stenen.
God verslaat al zijn vijanden.
Maar de molensteen wordt weggerold.
En Simson wordt bevrijd,
vanuit het land van zonde, terug naar het land van de belofte.

Zo wordt je genodigd om te eten en te drinken,
en geloof dan dat Christus is verpletterd in jouw plaats.
dat hij als brood is gebroken, en als wijn is vergoten.
Als aan een molensteen, zijn jouw en mijn fouten,
in de zee geworden, om voor altijd vergeten te zijn.
En tegelijk is die steen, onze rots en fundament.

Hij, die sterke man,
doet het werk wat door slavinnen gedaan werd,
en wast ons en voedt ons en verzorgt ons.
Zijn zuivere ogen blijven in liefde rusten op zijn bruid,
voor wie hij alles over heeft.
Amen


online delen:

tag Simson molensteen typologie voorbeeld schuld offer overgave plaatsvervangend zelfreflectie bekering avondmaal graan geweld in OT volharding der heiligen

Deze preek maakt deel uit van een serie: Simson
Een serie over het leven van Simson en de parallelen met Jezus

  1. Rech. 13:1-25 (BGT) - Toewijding
  2. Rech. 16:21-31 - Molensteen (huidige pagina)
  3. Rech. 15:18-19 - Dorst naar God

Meer preken uit Rechters