Met Gospelkoor: Votum en Groet (Sela) Opw 281: Als een hert (samenzang) Wet Opw 616: Houd me dicht bij U (samenzang) Gebed blok door koor Kinderen naar KBC Lezen psalm 42 en 43 Preek Opw 717 Stil, mijn ziel (samenzang) Gebed Collecte (tijdens collecte: Houd vol) PvN16 = Opw727 Ik val niet uit zijn hand (samenzang) Zegen (gesproken amen)

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vanmorgen staan we stil bij best wel een zware psalm.
En als we die lezen, dan valt me weer op hoe bomvol emotie hij zit.
De schrijver is bedroefd, diep bedroefd, echt somber, depressief.
En hij onderzoekt zijn eigen verdriet.
Bevraagt zichzelf, ziet het eerlijk onder ogen.
Hij is onrustig, ontevreden, ondergedompeld in rouw.
Verlangt heel intens naar God.
Maar hij mist God, die voelt zo ver weg.
Hij wil van alles tegen God zeggen, maar omdat God zover weg is,
omdat hij zo ver van huis is, voelt dat moeilijk.
“Wanneer mag ik nader komen, en God weer zien?” (42:3) 3 teksten
“Waarom vergeet U mij,” (42:10)
“U bent toch mijn God, waarom wijst U me af?” (43:3)

Is het niet raar, om een week na avondmaal,
zo met elkaar de diepte in te gaan?
We hebben het pas nog gevierd:
de intieme verbondenheid, eten met elkaar, met God.
Is het dan niet gek om het nu te hebben over het missen van God?

Misschien heb je juist de ervaring zwart
hoe goed het is om dicht bij God te leven.
Ben je niet bedroefd, maar juist een deelnemer in die dichte stoet.
Loop je voorop in de feestelijke menigte, die juicht en looft,
die groep mensen, waar de psalmschrijver met weemoed aan terugdenkt.

Deze week heb ik gezien dat er juist iets moois in zit,
om dit precies na het avondmaal te lezen.
Er zit een mooie beweging in dit lied, waar ik je in wil meenemen.
’t is echt een kunstig lied, met een refrein dat terugkomt.
En of je je nu voelt zoals in de psalm, of niet: in de knappe vorm,
zit een mooie beweging, die je opnieuw meeneemt
of weer terugbrengt, in die stoet mensen die God zoeken en loven.


Structuur
Om wat overzicht over de psalm te krijgen,
wil ik eerst stilstaan bij de structuur.
Ik noemde al dat refrein dat terugkomt, 3 keer:
Psalm 42 vers 6 en 12, en 43 vers 5. 3x refrein
Dat is ook een belangrijke reden dat ik dit als één psalm zie.
Je ziet bijvoorbeeld ook dat psalm 43, geen opschrift heeft.
Eigenlijk alle psalmen hebben dat wel, maar hier staat niet:
wie hm geschreven heeft, voor wie. Ik zie het dus als eenheid.
Het refrein sluit telkens een blokje af, en dan zie je 3 blokken. 3blok

In dat herhalen van diezelfde woorden,
proef je iets van hoe diep het beleefd wordt, wat ze hier zingen.
Zoals verdriet soms ook kan blijven hangen in dezelfde gedachten,
rondjes draaien, een kras op de plaat, gedachten die blijven malen:
“Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij.” Ps 42:6
Dit is niet het enige wat herhaalt wordt:
Ook spreekt de psalm zichzelf toe, dat het eens weer goedkomt. Ooit.
In dat woord proef je de weemoed, de wanhoop, het verlangen. Ooit.


Blok 1 – Ps. 42:2–6
Het eerste beeld is zó bekend: het hijgend hert,
dat het me moeite kost om het beeld echt te vatten.
Op de een of andere manier is het beeld wat geromantiseerd.
Als een Bambi, die heus wel door een brandend bos heen moet,
maar ach, Bambi is schattig toch?
En dorst? Tja, ik heb ook wel eens zin in een biertje,
dat soort dorst…
En zelfs het opwekkingslied waar we mee begonnen,
kan je op het verkeerde been zetten, wat de toonhoogte van de psalm is.
Wat dat lied zo mooi doet, is je op God richten:
“Mijn aanbidding is voor U.”
… maar het duurt wel heel lang voordat deze psalm daar uitkomt.
Het beeld nu, is veel grimmiger.

Dat het ooit goedkomt, God loven, later misschien,
maar wat heb je daar nu aan?
Uit de droge keel komt eerst een noodkreet: Ik ga dood van de dorst!
Ik red het niet. Ik ga echt helemaal kapot hier.
Mijn ziel smacht naar God, de levende God.
Het contrast is heel scherp: God is de levende; ik levenloos.

Als je zo wanhopig bent, zo verdrietig,
dan heb je geen zin meer om te eten. Het smaakt niet.
Het enige wat hij binnenkrijgt, zijn zn eigen tranen. 42:4
Proef je hoe wrang dat is, zout water, als je al dorst hebt.
Hij zit er echt helemaal doorheen…

Maar wat is nu de reden van zijn verdriet?
Het is niet alleen het gemis van God.
Ja, dat is erg op zich, maar als nog meer zout in de wonden
zijn het omstanders die hem daarom uitlachen: “Waar is je God?”
Als er dan een God is, waarom dan?
Waarom zoveel ellende? Orkanen die levens omverblazen.
Of als je overvallen word door een depressie.
Opeens zonder baan komt, een ongeluk krijgt.
Maar niet alleen de overmacht van buiten,
soms zijn het mensen dichtbij, die je leven verwoesten.

Als je God dan mist op die pijnlijke momenten in je leven,
dan doet het gemeen pijn, als omstanders je daarop pakken.
Terwijl je zoekt naar een druppel hoop, en snipper van Gods nabijheid,
terwijl je verlangt naar een levensteken van de levende God,
alles persen ze eruit. Ze zuigen je leeg.

Dat maakt de psalm zo bitter.
Hij heeft niets aan voedsel genomen, dan de tranen die hij huilde,
en nog heeft hij dorst naar de levende God.
En nu wordt ook nog dat verlangen bespot, belachelijk gemaakt.

– Het begin bevat zoveel vloeibare woorden. leeg
Natuurlijk het water, dat het arme hert nodig heeft,
De dorst van de ziel en de tranen.
En terwijl de psalm het verdriet woorden geeft,
overspoelt hem een gevoel van weemoed.
De gedachte naar vroeger stroomt binnen: Ooit, was ik dicht bij God,
onderdeel van de feestende massa; deed ik mee. Maar nu niet.

Het maakt de schrijver leeg van verdriet, rusteloos.
Die waterwoorden bereiden het refrein voor: Wat ben je bedroefd 42:6
Dat woord, bedroefd, heeft niet direct de betekenis van verdrietig.
Er staat eerder iets als: weggevloeid, afgeleefd. bedroefd
Al zijn energie is weggeebt, verlept, verdroogd.
En nu tot stof uiteengevallen, gedesintegreerd.
“Wat ben je bedroefd, mijn ziel, uitgeput
en wat ben je onrustig in mij”

En dan zegt hij nog iets, een beetje uit het niets,
misschien wel tegen beter weten in:
“Vestig je hoop o God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.”


Blok 2 – Ps. 42:7–12
… Maar wat ben ik blij dat de psalm daarmee niet klaar is.
Goudeerlijk is de bijbel.
Want goede woorden van hoop landen niet meteen.
Eigenlijk overspoeld het verdriet de psalm gelijk weer, na dat refrein.
Ooit? Het zal wel.
Vers 7 doet het gewoon nog eens dunnetjes over. Ps 42:7
“Mijn ziel is bedroefd”
Dat is dus nodig. Herhalen dat je verdrietig ben.

In dit tweede blok zien we een nieuw beeld,
De afstand wordt uitgemeten, hoever weg hij is. Hermon
“Hier in het land van de Jordaan, bij de Hermon, op de top van de Misar.”
De berg Misar kennen we niet, maar de Hermon wel.
Het zijn de bergen, in het noorden van Israël, bij de Golan Hoogte.

Met weemoed dacht hij net nog terug aan het huis van God.
Hij vroeg wanneer hij nader mocht komen,
en Gods gezicht weer zien, zijn gelaat,
dat stralende gezicht als God zijn zegen geeft. Daar is hij nu dus niet.
Hij is ver van huis. Ver weg van de zegen.

Op de Hermon ligt sneeuw.
Het smeltwater komt daar in stroompjes naar beneden, watervallen
komt uit in het meer van Galilea,
en stroomt weer verder als de Jordaan naar beneden.
Terwijl hij de ene watervloed tegen de andere watervloed hoort druisen,
voelde hij zich een hert dat droog staat.
Zou hij daar nu zijn, en zien hoe het smeltwater aanzwol, tot watervallen?
Hij hoort het geluid van alle kanten komen,
alsof de ene waterval de andere wil overstemmen.
De stemmen in zijn hoofd kolken net zo, emoties zwellen aan.
De roep van vloed tot vloed, van de ene diepte naar de andere. 42:8
Hij ziet er ook een beeld in, van hoe hij tegenover God staat.
Voelde hij zich eerst leeg, nu is ziel vol, en het kolkt en het duizelt.
Van uit het diepst van zijn ziel roept hij,
naar de ondoorgrondelijk diepe zee van God.
Zijn stortvloed aan tranen schreeuwt naar de vloed,
hij stort ze in de diepte van God.
Ik snap het niet, het is verborgen. Het is me teveel.

Voelde hij zich eerst uitgedroogd, tot stof uiteengevallen,
nu voelt hij zich overweldigd: golven slaan over hm heen.
Had hij net de tranen als enig voedsel,
nu heeft hij het gevoel dat het zoute water hem aan de lippen staat.
“Al uw golven slaan zwaar over me heen.”

Hier zit een moeilijke waarheid in.
Als je God mist, hij ver weg lijkt, aan wie ligt dat dan?
Misschien aan de dichter, hij moet maar weer terug naar Jeruzalem.
Maar wat het pijnlijk maakt, is dat het ook iets is wat God soms doet.
God is ver weg, hij verbergt zich. “Waarom vergeet U mij; ga ik in’t zwart?”
Ook God doet iets, als hij zich niet laat vinden.
Ook dat zijn de golven die over hem heenslaan.
Hij verzuipt in Gods afwezigheid.

Uit dit kolken komt dan opeens vers 9 bovendrijven. 42:9
En dit heeft echt een heel andere klank.
Een herinnering misschien aan hoe het vroeger was?
Maar net als bij de wisselwerking van mijn stortvloed aan vragen,
die overweldigd wordt, door Gods diepten,
zo is ook hier een wisselwerking.
God overspoelt je niet alleen, overdag bewijst hij zijn liefde.
En ’s nachts welt dan een lied op.
Een antwoord, een gebed van dank aan de levende God.

Dit vers laat zien wat er gebeurt als je in een storm zit.
De gedachten vliegen af en aan. Een achtbaan aan emoties.
En daarmee voel je de diepte en de pijn
en het gemis van het moment alleen maar intenser. 42:11
“Het gaat door merg en been, als belagers zeggen: Waar is dan je God?”
Hij herhaalt hier iets uit het eerste blok: Als je God dan zo bitter mist,
dan doet het gemeen pijn, als omstanders je daarop pakken.

En dan komt dat refrein weer. 42:12
En deze ronde dat we het refrein doorlopen,
wil ik het woord ’onrust’ er uit lichten. onrust
Want dit betekent zoveel als het gekreun, gekerm,
onrustig met je ziel onder de arm rondlopen.
Maar het is niet alleen het gekreun, van pijn en verdriet.
Het woord wordt ook gebruikt voor het gedruis van de zee:
watervloed op watervloed.
Het is ook het gebrul van wilde dieren.
Wat ben je onrustig in mij,
verandert hier haast in: daar brult iemand om opstand.


Blok 3 – Ps. 43
“Verschaf mij recht, o God!” Dat is de onrust die er nu uit knalt.
Zo’n brul uit een getergde ziel: “Kom God! Vecht voor mij! Bescherm me.”
Van introverte gedachten in de vorige twee blokken, herinneringen,
flarden van toen het ooit goed was, en tegen zichzelf praten;
nu gooit hij het eruit, richt hij dat naar God, als een intens gebed.

Dit is smeken om genade, niet eens perse om zonde,
maar omdat mensen niet gemaakt zijn om zonder God te leven.
Omdat hij niet in leven blijft, als de levende God langer wegblijft.
De pijn die in vorige stukken boven kwam drijven,
was niet eens zozeer dat God ver weg was,
maar daarbovenop dat omstanders hem daarop pakte.
Als God er is: waarom zit je dan in de ellende?
Zorgt hij niet voor je?

En nu komt het hoge woord eruit. Hij roept het uit tegen God:
Bewijs nu maar dat ze ongelijk hebben! Kom toch!
Vecht voor mij, neem het voor me op
tegen die mensen die spotten dat U er niet bent.
Heer, U geeft ze gelijk als u uw gezicht niet laat zien.
U moet het nu doen, U bent aan zet.
U bent toch mijn toevlucht, waarom wijst u me dan af,
Waarom ga ik in het zwart?
Wat hij in blok twee zich in zichzelf afvroeg, gooit hij nu naar God.

God. Stuur uw licht en waarheid. 43:3
Dat wat van uw vriendelijk gezicht komt,
als uw gelaat over ons licht, met genade en vrede; kom daarmee.
De woorden licht en waarheid komen een beetje uit het niets.
Alsof er opeens een knop omgaat. Het zijn beelden die niet eerder klonken.
En dat uit het niets, is haast een beetje,
zoals het bij het begin van de wereld ging.
Uit het niets, was er licht en leven.
En water, en herten, en watervallen. En, zie, het was goed, ooit.
Zo kijkt de psalm uit naar de dag
dat alle dingen nieuw gemaakt worden.
Licht en waarheid brengen je weer terug bij de berg van God.
Vanuit het niets, naar de plaats waar God woont,
waar je thuis bent en het feest is.
Je moet een nieuwe schepping zijn, 43:4
om met vreugde langs dat bloederige altaar te lopen,
om je vreugde in God te vinden, hem te loven.
God is niet zomaar God, maar “mijn God.”

– Het refrein klinkt voor de een derde en laatste keer. 43:5
En ook al heb je je hoop in God gevonden,
dat betekent echt niet dat opeens als je verdriet en pijn weg is:
“Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig”
Ook als je licht en waarheid hebt gekregen,
als God zijn reddende hand naar je heeft uitgestoken,
en je weer thuis bracht, nog steeds mag je dat zeggen.
Maar ik hoop dat je ziet, hoe de kleur van het refrein,
door de beweging van de psalm, wel helderder en lichter is geworden.
Hij heeft het nu weer ontdekt:
Vestig je hoop op God.
Daar komen de wateren tot bedaren. Daar verstilt de storm.
Daar vind je het geloof om te zeggen dat het eens echt goed komt.
Niet een twijfelend: ooit, het zal wel?
Maar ik weet dat het goed komt.
Juist omdat ik geloof in de God, mijn God,
waarvan mijn omstanders zeggen dat hij er niet is.
Maar ik weet dat hij de levende is, en dat hij mij ziet, en redt.


We zijn er nu vrij grondig doorheen gegaan. zwart
En als je je zo voelt, dan hoop ik dat zo’n psalm helpt,
om een beetje mee te komen in de beweging, iets van de weg terug vindt.
Dat het mag: eerlijk naar God toe brullen als je je alleen voelt,
een stortvloed aan vragen om hem te storten.
Het refrein eindigt met de woorden: “God die mijn ziet”
misschien is dat nog wel even belangrijker, dan wat daarna komt: “en redt”
Gezien zijn, dat er ruimte mag zijn voor verdriet.

Als je niet hebt herkent in het gevoel van de psalm,
ben ik ervan overtuigd dat het nodig is om je voor te bereiden.
Juist op momenten dat je je goed voelt, en dicht bij God leeft,
heb je de ruimte om je te verdedigen, voor als er een dag komt
dat je je in de kou voelt staan op de Hermon,
in plaats van de warmte van Gods huis, dichtbij.

We leren in de psalm, hoe nodig het is om je gedachten te zetten
op de tijd dat het goed was, terugdenken aan het goede wat God je deed.
Dus als je nu deelneemt aan de feestende stoet,
onthoud dit dan goed en koester dit moment.
Dat zal je helpen om dat refrein te blijven zeggen.
Misschien klinkt het als een mantra, houdt het je op de been.
Je hebt dan wat om op terug te vallen. In goede en in kwade dagen
Maar het mooie, zoals dat gaat met woorden van God,
afhankelijk van de context veranderen ze van kleur.
Het is vloeibaar, verfrissend en sprankelend. Levend water.

Dat zien we ook in het het refrein, nu we samen zeggen en erkennen:
God, nu moet U het doen, bewijs maar dat U niet afwezig bent.
Maar dan weet je dat we leven van zijn licht en waarheid,
dan weet je dat je bij de hand genomen bent,
en gebracht wordt bij de plek waar God woont.
En is het nu nog niet, dan zeker weten ooit.
Dan weet je dat je eens weer zal naderen tot het altaar van God.
En op dat altaar zie je dan niet een hert liggen, dat het niet gered heeft,
maar een Lam, dat echt helemaal kapot is gegaan,
dat ook riep, mij dorst!, en precies daardoor jou gered heeft.


Dit is precies de reden waarom deze psalm zo perfect is om te lezen,
na het avondmaal.
Als Jezus het avondmaal heeft gevierd met zijn leerlingen,
dan gaat hij de berg Getsemane op.
Hij staat op het punt gevangen genomen te worden.Mt26:38 = Mk14:34
En dan zegt hij “Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier met mij waken.”

Ik ben dodelijk bedroefd, dat zijn de woorden van het refrein.
Jezus verwijst hier naar deze psalm.
Dit is wat hij voelt, wat hij doormaakt:

De beker aan zijn lippen zijn al Gods golven die over hem heenslaan.
De dorst, het missen van God, “Waarom hebt u mij verlaten?!”
De spotters, die precies op dat punt hem pressen:
“Als je de zoon van God ben, laat eens zien dan.”
Ben je dan zo’n papa’s kindje! Laten we eens kijken of iemand hem redt.
En God die niets doet, maar de aarde hult in zwart.
“U bent toch mijn God, waarom wijst u mij af?”

Dit is de enige bodem om het altaar van God te naderen.
Om te vieren dat God je hoogste vreugde is.
Omdat God je ziet, en redt.

Vestig je hoop op God want je zult hem weer loven. Ooit.

Amen


online delen:

tag lijden theodicee verlangen verdriet zelfreflectie water somberheid verborgen

Meer preken uit Psalmen