Voorzang: LB 280: 1, 2, 3, 5 (De vreugde voert ons naar dit huis) Votum en Groet GK PS 33:1, 8 (Zingt vrolijk) Gebed L: Jes 6:1-13 LB PS 106: 1, 18, 21 (LB=GK) L: Lev 22:17-33 Preek HC 47 (aan het eind van de preek) Als Geloofsbelijdenis: LvK 259: 1 en 2 (= GK 109:1 en 4 Halleluja Lof zij het Lam) Gebed Collecte LB 405 (Heilig Heilig Heilig) Zegen

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

In het gebed dat Jezus leert, bidden we:
Laat uw naam geheiligd worden.
Wat is dat eigenlijk: Heiligen?
En hoe kan je een naam heilig maken?

Iets wat Heilig is, betekent dat het is apart gezet.
Het is iets speciaals, je gebruikt het niet zomaar.
God is Heilig, Hij is niet zoals andere goden.
Nu bestaan er geen andere goden.
Op zijn best zijn het nep–goden
(de idolen en idealen van vandaag).
En zijn het slechts menselijke bedenksels.
Fantasieen van het leven dat je eigenlijk zou willen hebben.
Maar God is Heilig, hij is anders,
apart gezet van wat ik denk dat een god moet zijn.

En God kiest plaatsen en mensen uit.
Zoals hij heilig is, passen bij Hem alleen plaatsen
en mensen die heilig zijn.
Apart gezet, anders dan het normale, alledaagse.
Hij kiest een een stad, een plek om te wonen.
Jeruzalem is een heilige plaats,
de tempel is niet zomaar een plek.
En alles daar moet die andersheid weerspiegelen.
De offers moeten dan ook gaaf zijn, geheiligd.

En God kiest een volk uit, een heilig volk.
Mensen die hij apart zet voor zichzelf.
Mensen die anders zijn dan anderen.
Een familie, apart gezet om hogepriesters te zijn, de zonen van Aaron.
Een stam, apart gezet voor de tempeldienst, de Levieten.
Een volk, apart gezet om op te vallen in de wereld: de Israelieten.
Een Jood kon ook echt danken aan God:
Gezegend bent U, Heer onze God, Koning der wereld,
die ons geheiligd heeft met zijn geboden om, dit of dat te doen.
Een Jood voelt zich geheiligd, apart gezet in de wereld,
omdat God hem heeft opgedragen zich aan de wet te houden.
Bijvoorbeeld de wet op de besnijdenis,
of wetten over rein en onrein eten.

Dus bij die Heilige God, horen heilige plaatsen.
En heilige offers, die de heilige priesters brengen in heilige kleren,
en gebruik maken van heilig gereedschap.
Zodat het brengen van een offer niet zomaar een BBQ is.
God eindigt het stukje wetgeving wat we lazen met:
Ik ben de Heer, ik heilig jullie.
Je kunt zeggen dat de heiligheid van God
uitstraalt op alles wat met hem te maken heeft.


Dit zijn allemaal dingen die met God die heilig maakt, te maken heeft.
Maar als je bid: Laat uw naam geheiligd worden,
moeten wij dan die naam heiligen?
Als we weer de definitie van ’apart zetten’ gebruiken,
Ja, dan gebruik je de naam van God niet zomaar.
Die naam is uniek, niet alledaags.
Dat God is wie hij is, dat hij erbij is,
Dat hij trouw is, tot in het diepst van zijn wezen,
dat maakt die naam Heilig.
Want hij is zo anders dan wij.

Maar kan het eigenlijk wel, dat wij iets heiligen, apart zetten?
Kunnen we ons leven zo gebruiken, zo inrichten,
dat wij iets voor God alleen reserveren?
Zoals je een goeie fles wijn alleen bij een bijzondere gelegenheid opent,
dat je ook in je leven, speciaal voor God het onderste uit de kan haalt,
speciaal voor hem je beste beente voorzet,
omdat voor hem alleen een gaaf offer, goed genoeg is.
Maar kunnen we dat?

In Leviticus hoor je meerdere keren:
wees heilig, want ik ben Heilig.
En ja, God wil inderdaad, dat we ons leven zo inrichten
dat het verbonden is aan hem,
Zodat ook het alledaagse heilig wordt,
als je dat gewone leven voor Hem leeft.
Zo word je leven speciaal, bijzonder, apart gezet.
Op de een of andere manier plaatst dat je alledaagse routine,
in een bijzonder licht. En je leven wordt er mooi van.
Maar om zijn naam te heiligen,
moet je hem wel kennen als de Heilige.


Jesaja heeft een bijzondere ervaring.
Hij wordt door God afgezonderd, apart genomen,
geheiligd om profeet te worden. Een unieke gebeurtenis.
En hij moest delen wat hij ziet, en hoe hij reageert.

Jesaja krijgt een kijkje in de hemel.
Engelen ziet hij. Met 6 vleugels.
Ze roepen het elkaar toe, dat God Heilig is.
Heel de ruimte vult zich met hun buitenaards gezang.
God is zo groot, 1 keer zeggen dat Hij heilig is, is niet genoeg.

Het is alsof de schepping stamelt; de kosmos stottert,
want er zijn geen woorden voor.
Hij is zo onvoorstelbaar mooi, schitterend, overweldigend.
En Jesaja is overdondert.
Hij ziet, ja wat ziet hij eigenlijk?
De zoom van de mantel van God,
zeg maar dat onderste randje van je broekspijp,
en als God een broek zou aanhebben,
dan vult de zoom alleen al, de hele tempel.
Maar God is God, hij heeft geen lichaam zoals wij.
Hij draagt geen mantel, geen broek.
En Jesaja ziet dat de tempel vol is van rook.
En alles trilt en beeft.
Gods Heiligheid laat de tempel op de fundamenten schudden.
Terwijl de engelen elkaar maar toeroepen, dat hij Heilig is.
In volle hevigheid komt Gods onzeggelijke grootheid op Jesaja af.

En hij zegt: Wee mij.

Als heel de aarde vol is van Gods Majesteit, wat heb ik dan te geven?
Wat kan ik apart zetten voor de heilige, dat niet al vol is van hem?
Kan ik een mooi leven aanbieden, een goed gebed, zuivere woorden?
Nee, ik kan beter mijn mond houden, want ik ben onrein.
Mijn lippen zijn onrein, ik leef tussen een vuil volk.
Ik kan beter mijn mond maar houden.
Ik pas niet bij God, bij die engelen.

Maar net zoals we in de wet lazen:
Ik ben de Heer, ik heilig jullie,
zo zie je dat ook bij Jesaja gebeuren.
Als een brandmerk duwt een engel een gloeiend kooltje
van het heilige altaar op de onheilige mond.
Lippen zijn misschien wel een van de gevoeligste organen,
en ik moet er niet aan denken
dat ik een gloeiend kooltje tegen mijn lippen krijg.
Maar je leest niets over pijn of ongemak.
Eerder het tegendeel. De engel verklaart plechtig:
Nu zijn je lippen gereinigd, je schuld is geweken, je zonden teniet gedaan.
God is heilig, apart gezet,
anders dan hoe ik denk hoe zonde moet worden weggebrand.
Dat brandende kooltje, dat tegen Jesaja’s lippen werd gedrukt,
drukt verzoening uit.

Ja, God is een brandend vuur, maar Hij verteert me niet.
Je leest niet over blaren,
maar iemand die klaar is om zijn mond open te doen.
Wie zal ik sturen? Stuur mij maar, zegt Jesaja.

Jesaja was overdondert, overweldig, zo onder de indruk,
dat hij zich oneindig nietig voelt.
Maar heel simpel wordt hij door God opgetilt.
Opnieuw onder de indruk: nu door de opdruk van vergeving.
Ik ben de Heer, ik heilig jullie.

Maar wat je ook ziet is die andere reactie op de heiligheid van God.
Die andere reactie, die van het volk.
Oren dicht, Ogen dicht, als God spreekt, heel hard lalala! roepen.
Want we willen God niet horen, niet zien.
Oneindig kwetsend, kinderachterig ook,
maar ook diep diep menselijk.
Luisteren, maar niet luisteren.
Kijken, maar het niet willen inzien.
Jesaja krijgt de lastige taak, om daar als profeet zelfs op aan te sturen.
Maar het is de normale menselijke reactie: Negeren, niet willen.
Zoals het een normale reactie is om weg te duiken
als iemand een brandend kooltje op je lippen drukt.

Maar goed, als het gezang van de engelen niet tot je doordringt,
de woorden van God je niets zeggen, …
Of zoals Leviticus het zegt:
Maar houden jullie je niet aan mijn voorschriften,
dan ontwijden jullie mijn heilige naam,
en moet ik mijn heiligheid tegenover jullie bewijzen.
Ik ben de Heer, ik Heilig jullie.
Ik ben het die jullie uit Egypte heeft weggeleid om jullie God te zijn,
Ik ben de Heer.

In Jesaja’s tijd, en daarna, moet God zijn Heiligheid bewijzen,
en dat doet hij met een vreselijk oordeel.
Mensen aan zichzelf overlaten,
en dan horen ze God niet meer,
en zullen ze niet naar hem terugkeren, geen herstel vinden.
Hoe lang Heer, vraagt Jesaja bang.
Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn,
en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is,
één grote woestenij. Iedereen is weggevoerd, verlatenheid.

Alsof de hele stamboom van Israel wordt weggekapt,
de rotte plekken eruitgesneden.
nouja, alles blijkt een grote rotte plek te zijn.
De hele boom gaat eraan, want hij was helemaal verziekt, vergroeid.
Als een eik die wordt geveld, in stukken gehakt, en verbrand.
Er blijft slechts een stronk over.
En Jesaja mag dan nog wel zeggen dat het zaad van die stronk heilig is,
maar dat is toch wel heel minimaal.
Dit is ook waar je om bid met de woorden:
Laat uw naam geheiligd worden.
En dat die heiligheid doorstraalt, doorgloeid, in deze wereld.
Want bij de naam van God, horen geen mensen
die maar hun eigen ding doen.
Bij de naam van Christus horen geen mensen,
die niet naar hem willen luisteren.
En dan moet dus wat worden weggehakt, weggekapt.

Dus toch verbrand, en op de blaren zitten?


Er zit een grote spanning in de heiligheid van God.
De wereld wordt er zwart–wit van.
Rein of onrein. Volmaakt of tekort.
Of je stopt de oren dicht als het volk, wil niet luisteren,
of je ben als Jesaja zo onder de indruk,
dat je verschrikt uitroept: Wee mij.
Het is goed om af en toe onder de indruk te raken,
van de oneindige puurheid, de grootheid van God.

Er zit iets in onze tijd dat we niet goed kunnen omgaan met heiligheid.
De tijd is voorbij dat we je alleen op zondag een stukje vlees at.
We zijn zo rijk geworden dat het bijzondere gewoon is.
Nouja, misschien pak je wel een beetje uit, maar dat gewoon omdat het kan.
Zoals het op elke dag, gewoon kan.
Waarin is de zondag nog apart, heilig, anders dan andere dagen?
En met Zondagse kleren naar de kerk, je ziet het eigenlijk niet meer.
En daar zit ook een hele oprechte reden achter.
Ik mag bij Vader komen zoals ik ben.
Ik hoef me niet beter voor te doen dan ik ben.
Maar hebben we nog iets wat heilig is?

Als Jesaja overdondert wordt door de heiligheid van God,
is zijn vraag niet: heb ik wel mijn mooiste kleren aan, past dit wel bij elkaar.
Maar Wee mij. Pas ik wel? Zijn mijn lippen wel rein?
En hij schrikt daar zo van omdat hij aan alles aanvoelt: Nee.
Dit matcht niet, ik en God. Ik vloek, met hem.

En dit kunnen we niet altijd goed handelen.
En eerlijk is eerlijk, als onze wereld de wereld van God al raakt,
dan trekken liever God onze gewone wereld in, maken hem normaal,
dan dat we ons gewone leven, apart laten nemen door hem.
Dit is een vorm van wegduiken voor de gloeiende kooltje.

Maar het is bevrijdend dat het zware Wee mij, van Jesaja,
je niet de grond in trapt.
Het is niet de bedoeling dat we stilstaan bij Gods heerlijke grootheid,
om hier teneergeslagen vandaan te gaan.
Maar ook jij wordt eenvoudig door God opgetilt.
Opnieuw onder de indruk: nu door de opdruk van vergeving.
Nu zijn je lippen gereinigd, je schuld is geweken, je zonden teniet gedaan. Ik ben de Heer, ik heilig jullie. Heiligen jullie nu mijn naam.

En hoe heftig voor het volk, als alles wat niet deugd is weggekapt,
blijkt het zaad van de stronk toch heilig te zijn.
Niet omdat er in alle mensen een kern van goedheid zit,
maar omdat de oorsprong van ons leven, God, heilig is.

En het gaat om die verbinding.
God is heilig, en willen wij bij hem horen,
dan moet ook ik me in die heiligheid laten trekken.
Als ik bid: laat uw naam geheiligd worden,
vraag ik er ook om, dat ik de heiligheid opgedrukt krijg.

Deze twee lijnen komen samen in een schitterend vers
uit de brief aan de Hebreeen. Hebreeen 2:11.

Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong,
en daarom schaamt hij zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen.

Hij die heiligt (dat is hier Jezus)
en zij die geheiligd worden (dat zijn wij),
hebben dezelfde oorsprong.
We komen bij God vandaan.
Dat nieuwe leven uit de heilige zaad van de stronk,
daar komen geheiligde mooie, goede mensen uit.
En daarom schaamt Jezus zich niet voor jou, of voor U.
Hij ziet je niet als vies afval,
niet als iets onreins, waar je met een wijde boog omheen loopt.
Maar we zijn zijn broers en zussen van Jezus.
En nu noemen we God beide: Onze Vader.
En op dezelfde manier zien we deze twee lijnen in de catechismus.
Laten we die nu lezen:

Wat is de eerste bede?
Uw naam worde geheiligd.

Dat wil zeggen:
Geef ons eerst dat we u naar waarheid kennen
en u heiligen, roemen en prijzen, in al uw werken,
waarin uw almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid, en waarheid, glansrijk stralen.

Geef ons ook dat wij ons hele leven,
(dat is onze gedachten, woorden, en werken)
daarop richten, dat uw naam om ons niet gelasterd,
maar geeerd en geprezen wordt.

Als je God leert zien als je Vader,
en hem kent zoals hij voor je wil zijn,
als je zijn naam bewonderd, op de goede manier gebruikt,
zijn naam heiligt,
dan bid je er ook om, of die goede naam op jou mag afstralen.
Dat al die schitterende goede, aparte maar zo gave eigenschappen van God,
ook in jou leven doorstralen, doorgloeien.

Dan wordt je leven een offer waar God plezier in heeft.
Laten we genieten van onze goede God.
Onder de indruk, van hem,
en daardoor ook een afdruk van zijn heilige beeld.

Amen


online delen:

tag bidden berachot heilig priester rein/onrein

Meer preken uit Heidelbergse Catechismus