Stel je voor:
je ouders zeggen dat je voor elke euro van je zakgeld of bijbaantje
10 cent moet inleveren. Elke week. Klinkt dat leuk?
Nee, dat klinkt als straf.
Maar stel je nu dit voor: je ouders zeggen
dat je tien procent apart moet leggen, om een feestje van te geven.
Snoep kopen. Naar de bioscoop. En je mag zelf kiezen wat.
Klinkt dat anders? Dat denk ik wel. Het klinkt als vrijheid.

In de Bijbel vraagt God om tien procent.
Het mooie is: dat lijkt veel meer op dat tweede dan op het eerste.


We lazen uit Deuteronomium 14.
Mozes spreekt tegen het volk Israël.
Ze staan op het punt het beloofde land binnen te gaan.
En Mozes legt uit hoe het leven met God eruitziet.

Eén van de dingen die hij zegt:
zet elk jaar een tiende van je oogst apart.
Misschien denk je, dat is net belasting, of, dat moet je gewoon weggeven.
Maar is je ook opgevallen wat God precies zegt, dat je daarmee moest doen?

“Ga naar de plaats die God uitkiest. Daar moet een feest gehouden worden.
Je eet je tienden op. Als het ware recht voor Gods neus.”

Geniet van je oogst, en laat mij erbij zijn!
Eten. Niet inleveren. Nee, feesten.

En het wordt nog mooier.
Mozes zegt: stel dat je heel ver van die plek woont.
Stel dat je je koeien en je graan niet zo ver kunt meenemen.
Wat dan? Dan verkoop je alles, je stopt het geld in je zak,
je reist naar Gods plek, en daar, let op, “koop je alles wat je maar wilt.”
Ja echt! Alles wat je hartje begeert. Vlees, wijn, en ja, zelfs bier.
God zegt: vier feest. Voor mijn gezicht. Ik kijk toe en ik geniet mee.
Waarom? Vers 23 zegt het:
“Op die manier leren jullie om steeds eerbied te hebben voor de Heer, jullie God.”
Je leert God kennen door te vieren.
Niet door alleen maar volgens de regeltjes te doen
maar door te genieten van wat Hij geeft.

God zegt meer over delen. Het is niet alleen een feestje.
Er zijn ook regels die zeggen, geef ook 10% aan de Levieten.
Dat waren mensen die voor God werkten, hadden geen gewoon beroep,
Ook geen eigen stuk grond. Maar daardoor ook geen eigen inkomsten.
En God zegt eigenlijk dat het volk dus voor hen moet zorgen.
Daar deel je mee.

Verderop lazen we ook: Eens in de drie jaar is het feestje iets anders.
Dan blijft de tiende in je eigen stad. En dan deel je het daar.
Met de Levieten, de priesters die geen eigen land hadden.
Met de vreemdelingen, de weduwen, de wezen.
Mensen die niet konden oogsten omdat ze niets hadden om te zaaien.
God wil je hier leren: Geven is twee dingen.
Het is feest vieren met God.
En het is delen met mensen die het moeilijk hebben.

En dat hoort bij elkaar. Vieren én delen.
Als je alleen viert, word je egoïstisch.
Als je alleen maar deelt, word je moe en hou je niets over.
Maar samen, dat is hoe God het bedoelt. Dan is geven een feestje!


Paulus schrijft er eeuwen later over. Een collecte voor Jeruzalem.
De gemeente in Korinte zamelt geld in voor arme christenen.
En het is eigenlijk een bedankje:
We hebben Jezus leren kennen, omdat jullie het hebben doorverteld.
Paulus is dus bezig om reclame te maken voor die collecte.
Maar is ook voorzichtig. Hij wil geen dwang.

“Iedereen moet voor zichzelf besluiten hoeveel hij wil geven,” schrijft hij.
“Je moet van harte geven, en niet omdat het verplicht is.
Want God houdt van mensen die met vreugde geven.”

Dit kan verkeerd overkomen.
Alsof Paulus zegt: je moet geven, en je moet er ook nog vrolijk bij kijken.
Maar dat bedoelt hij niet.
Paulus zegt juist: als je niet blij kunt geven, geef dan niet.
Het gaat God niet om je geld. Het gaat om je hart.

En dan komt het mooiste. Paulus zegt: God geeft je alles wat je nodig hebt.
“Zelfs zo veel dat jullie altijd meer dan genoeg hebben,
en veel overhouden om andere mensen te steunen.”

En even later: “Het is God die zorgt voor zaad om te zaaien en brood om te eten.”
Snap je de draai? Het punt is niet: jij moet geven zodat God je beloont.
Het punt is: God geeft al. Royaal. Overvloedig.
En omdat Hij geeft, kun jij geven.
Je geeft niet vanuit tekort: o help, ik moet iets inleveren.
Je geeft vanuit overvloed: ik heb genoeg, ik kan delen.

En nu de vraag die onder alles ligt.
Waarom geeft God eigenlijk zo veel?
Deuteronomium zegt: Hij bevrijdde jullie uit Egypte.
Jullie waren slaven, en Hij maakte jullie vrij.
Alles wat je hebt, begon met een geschenk.
Maar het gaat nog dieper.
God gaf niet alleen vrijheid en land en oogst.
Hij gaf uiteindelijk zichzelf. In Jezus.
Paulus schrijft ergens anders:
“Hij werd arm, zodat jullie rijk zouden worden.” 2Kor.08:09
Dat is de kern.
God vraagt niet van ons wat Hij zelf niet eerst gegeven heeft.
Hij vroeg offers, en Hij bracht zelf het grootste offer.
Hij vroeg liefde, en Hij gaf zichzelf uit liefde.

Straks is er collecte. Er komen zakken langs.
Je kunt geld geven. Of de kinderen kunnen er een kaartje indoen,
met iets dat ze in de kerk zouden willen doen.
En na de dienst mogen jullie de hartjes uitdelen. Zegenkaartjes.
Want geven is niet alleen geld.

En misschien heb je iets meegenomen vandaag. Iets wat je lief is.
Een knuffel. Een hobby.
De vraag was: zou je dat aan God kunnen geven?
Het antwoord hoeft geen ja te zijn. God wil geen gedwongen offers.
Maar de vraag helpt je wel om iets te voelen.
Hoe stevig houd je vast?
En hoe vrij ben je om los te laten?
Maar ik hoop dat je ook ziet: Het mooiste offer voor God,
is niet je spullen. Het mooiste offer ben jij.
Je aandacht. Je tijd. Je liefde. Jezelf.

Het geven van jezelf; dat is wat God deed.
En als je dat echt gelooft,
dat God zichzelf gegeven heeft, voor jou,
dan wordt geven geen zware wet meer.
Dan wordt het een antwoord. En is geven een feestje.

Amen

online delen:

tag geven collecte

Meer preken uit Deutronomium