Votum en groet DNPS 139:1,5,6 (Heer, U doorgrond mij, U ontwart) + Opw 616: Houd mij dicht bij U. Wet Gebed Kinderlied youtube Kindermoment DNPS 122:1,2 (Ik spring van blijdschap op wanneer) + Opw. 893: Huis van Vrede (Sela) + DNPS 122:3 Lezen Psalm 122 Preek NLB 340b Ik geloof in God de vader Gebed Collecte Opw 715 = NLB 84a Wat hou ik van uw huis Zegen

Hé, ga je mee?!
Als we op vakantie waren vroegen m’n ouders wel eens:
Wie gaat er mee een stukje wandelen?
Ik had daar de ene keer meer zin dan de andere.

Maar soms heb je dat, hè?
Dat een enthousiaste uitnodiging je echt meeneemt.
En dan ga je, je klimt in de bergen, je overwint de hoogte, en jezelf soms,
en dan als beloning het uitzicht; dat is heerlijk.

Hoe nemen we elkaar mee? Hoe moedigen we elkaar aan?
Want uit mezelf blijf ik makkelijk in m’n schulp zitten.
Hoe wakkeren we bij elkaar de liefde voor Jezus aan,
om van hem te leren, en te groeien?


In Psalm 122 komen we zanger tegen, die blij is.
Die echt heel gelukkig is geworden. Het staat zelfs voorop:
“Verheugd was ik, toen ik hoorde: Wij gaan naar het huis van de Heer.”
Hij hoorde mensen die zin hadden om bij God te zijn,
He, ga je mee? En nu wilde hij ook.
Hij ging mee. Liep mee op. En de vreugde gaat dan voorop.

Daar gingen ze dan. Een trektocht op weg naar Jeruzalem.
Vanuit de omliggende dorpjes misschien,
niet zo hecht en dicht opeen, niet zo majestueus als de bestemming.
Niet zo’n teken van kracht en macht, zonder die statige stadsmuren,
imposante poorten, paleizen, of het tempelcomplex.
En tijdens de klim zie je opeens in de verte iets van de grote stad opdoemen.
Ik was verheugd toen ze zeiden: kom laten we gaan.
Maar let dan op. Na de klim omhoog, gaat het
van: verheugd was ik, – naar: verheugd ben ik.
Nu m’n voeten er zijn, nu ik de klim heb gehad,
nu ik die prachtige poorten door ben, nu ben ik er.
Bestemming bereikt. Ik mag hier komen en voel me bevoorrecht.

Je proeft iets van de zin, het verlangen.
Ze staan te trappelen, te popelen, om naar Jeruzalem te mogen.
Als jonge koeien, die in de lente eindelijk weer het land op mogen.
Of zoals wij ons voelde, toen de corona–beperkingen opgeheven werden.
We mochten weer; als een groep vrienden op weg naar hun stamcafé.
“Daar komen de stammen samen.” Met al hun maatjes. We zijn er. Yes.
Blij wordt je ervan. En ze kijken hun ogen uit in de grote stad.
De tronen van David, de muren, de vesting …

Vanmorgen kijken we naar 3 dingen,
die het een feestje maken om naar het huis van de Heer te gaan.


En het eerste is: dat we samen gaan.
De verbroedering als je elkaar weerziet. Ja, wij horen bij elkaar.
Misschien voel je het wel concreet, als je met 4 generaties familieleden,
bij elkaar in de rij zit. Hoe kostbaar is dat!
Maar wat de psalm bedoelt is echt niet voor families alleen.

Ik noemde dat net al even een stamcafé.
Daar gebeurt dus echt iets verbroederends.
De stammen van Israël hebben namelijk ook wel tegenover elkaar gestaan.
Zoals broers of zussen ook echt wel eens mot kunnen hebben.
En je het bloed onder de nagels halen.
Maar op deze plek ervaar je op een diepere manier dat je familie bent.
Daar komen de stammen samen.
En let er dan op: die stammen worden niet de nakomelingen
van Abraham, Izaäk en Jakob genoemd,
maar het zijn de stammen van de Heer.
Wat ons bindt, is niet een gewone bloedband, of onze levensfase
of hobby’s die overeenkomen, of dat we in dezelfde regio wonen.
Wat ons bindt, is dat we van de Heer zijn.

Ook mijn stammetje, mijn takje aan de stamboom van de mensheid,
is een stam van de Heer.
Of noem het met een beeld van het nieuwe testament: rank aan de wijnstok.
Dat is Jezus. Ik heb alles aan hem te danken.
Al het goede stamt van hem af: mijn liefde, mijn gaven, mijn energie.
En ik heb het nodig dat ik meegenomen wordt in de stoet,
dat we samenkomen, bij hem. We zijn ‘van de Heer’.
Dus richten we ook onze dank op de Heer.
We prijzen de naam van de Heer, zegt vers 4.

Het is belangrijk dat je daarin ook meedoet.
Dat je geen toeschouwer bent, maar deelnemer.
Doe mee. Ook als het je nummer niet is,
want waarom zou je je onttrekken aan het samenzijn?
Kom ga met ons en doe als wij; He, doe je mee?
Ook daarvoor is het samenzijn zo belangrijk, zo motiverend.

En straks na de dienst, gaan we aan de koffie.
Daar komen de stammen samen, lekker aan een bakje café,
en daar bomen we nog even door. En dan hoop ik wel
dat je verder komt dan mopperen op een waardeloze wedstrijd.
Laten we elkaar juist ontmoeten en meenemen,
in wat je hier raakte, in het van–de–Heer–zijn.
Dat je doorpraat, in een groepje of 1–op–1,
dat je hebt kunt delen: je emoties, de gebeden, het zingen.
Dat is allemaal, als het goed is, van ons samen.
Hier komen we samen. Dat is het eerste.


Het tweede, waar de zanger blij van wordt,
is waarvoor ze samenkomen.
Wat komen die stammen in Jeruzalem doen?
Ze komen niet om samen naar hetzelfde elftal te kijken,
of een mooi speciaalbiertje te drinken.
Ze komen niet zomaar ff een bakje doen.
Maar ze komen samen om Israëls plicht te vervullen, zegt vers 4.

Plicht klinkt nu niet echt heel erg wervend, vind je wel?
Verheugd was ik toen ik hoorde, ik mag mn plicht vervullen?
En laten we eerlijk zijn, hoe ging het vanmorgen,
om iedereen in de kleren te krijgen?
Was iedereen in een jubelstemming om te gaan?
Ik heb een koffiemok, en daarop staat: voor de koffie niet zeuren.
Da’s niet voor niets. Ik sta niet meteen te popelen en te trappelen.
Maar er zit iets aanstekelijks in deze zanger.

Hij verlangt naar recht. Naar doen wat goed is.
Naar een situatie die goed is, dat de verhoudingen recht zijn.
Naar eerlijkheid, naar het goede.
Kijk eens in de wereld.
Zie je daar het recht terug?
Ik zie mooie dingen, maar ook veel verstoorde verhoudingen.
Mensen, bedrijven en overheden soms, die hun macht gebruiken,
om er zelf beter van te worden, ten koste van de ander.
Ik zie onrecht. Onderdrukking en uitbuiting.

Verheugd ben ik, als ik denk aan God die dat herstellen wil.
Dan verlang ik naar de tijd en naar de plaats,
dat het ons wel lukt om eerlijk te delen. Dáár wil ik naar toe.
En reken maar dat dat een hele berg is om te beklimmen,
want daar zijn we echt nog niet.
Maar er is iemand die me daarin wil voorgaan, me daarin meeneemt,
en dat helpt me, en maakt me gelukkig.

De zanger verlangt naar recht.
Ziet het ook als taak, als plicht, om zich daarop te richten.
En hij vergaapt zich ook aan het gerechtshof,
de tronen van het huis van David, de plaats waar de koning zit.
Dat is waar je naartoe gaat als iets rechtgezet moet worden.
Denk aan een dokter, die een schouder of vingerkootje,
weer rechtzetten moet als het uit de kom is geschoten,
Je wilt naar dit huis van God toe, als je uit het lood geslagen bent.
Ontzet bent. Of krom gaat onder een last die niet voor jou is.
Daar, bij de troon van David kun je je rug weer rechten.

Onze koning is Jezus. In zijn gerechtshof gaat het nog dieper.
Daar wordt ik rechtgezet, met alles wat er krom is in mij.
Omdat hij krom ging, om al mijn onrecht.
Bij hem mag je je lasten achterlaten,
Als je bij hem die acceptatie, vergeving, herstel of genezing ervaart,
dan is het toch logisch, dat je blij en dankbaar bent?
De zanger ervaart het daarom als zijn plicht om God te eren,
“te prijzen de naam van de Heer.” En dat is dus ook heel logisch:
als je naar dat huis van God bent gegaan, omdat je verlangde naar recht.
Het is terecht: passend, om God te prijzen.


De vreugde staat voorop, omdat we van de Heer zijn.
Als je samen gaat, en als je verlangt naar recht.
En het derde waar de zanger blij van word, is vrede.

En je zou zeggen: als iedereen in goede harmonie samen is,
als er recht is, ieder zijn taak, zijn plicht doet,
dan is het toch goed? Dan is er toch vrede?

Maar de zanger neemt je mee, in de realiteit.
“Vraag om vrede voor Jeruzalem.”
Precies, daar waar je naar toe gaat om alles goed te maken,
precies daar is het gebed om vrede nodig.

Eigenlijk wel bijzonder.
De zanger en zijn stamgasten, gingen naar Jeruzalem,
namen hun onrecht en hun onvrede mee.
Omdat ze daar in het huis van de Heer ermee terecht kunnen.
Maar automatisch komt de vrede niet; daar moet om gebeden worden.
“Dat rust hebben, wie van je houden
dat vrede heerst binnen je muren en rust in je vesting.”

Misschien staat bij jou de vreugde helemaal niet voorop.
Misschien laat je je niet zo makkelijk meenemen.
Want reken maar dat we moeilijk van onze onvrede af komen.
Lopen we helemaal niet zo lichtvoetig naar God toe.
“nu onze voeten staan binnen je poorten” ?
Eerder schoorvoetend, als je al durft te komen …
Juist dit element zit in het gebed om vrede.
Wat wil God je graag rust geven. Je ontladen. Je last overnemen.
Want als wij takken or wijnranken zijn, aan de wijnstok,
dan zal Jezus, de hoofdstam dus het meeste tilwerk verrichten.

Hij draagt u. Hij draagt jou, en wonderlijk genoeg ook mij.
Hij draagt ons samen.
Daar zit de verbroedering van het begin weer,
maar je ziet het ook aan het eind terugkomen:
“Om mijn verwanten en vrienden zeg ik: Vrede zij in jou.”
Wat ik in het huis van God vind, gun ik familie en vrienden ook …
En zovelen als de Heer ertoe roepen zal.
Laat daarom er toch vrede blijven, zodat jij het er ook vinden mag.
En ik je er naartoe meenemen kan.
En eigenlijk zijn we dan weer aan het begin van de psalm.
Want je wilt nu iemand meenemen.
“Laten we naar het huis van de Heer gaan.”
Waarop iemand anders verheugd mee gaat. Om te delen in de goedheid.

Dus de vraag van vanmorgen is: hoe goed ken jij het huis van de Heer?
Heb je geproefd hoe goed, hoe heerlijk het is, om bij God te komen?
Hoe makkelijk wil jij je lasten aan hem toevertrouwen?
Of bid je wel om vrede, maar houd je je eigen onvrede nog vast?
Omdat je niet kan geloven dat de zetel van het recht,
jouw vrijspraak betekenen wil.
Ik bid je toe: vrede zij in jou.
En dat gebed heeft kracht, want je kent Jezus toch?

Zo vat de psalm het samen: “ik wens je al het goede.”
Voor al het goede moet je dus in het huis van God zijn.
En zie je dan dat de focus niet is,
dat het fijn voor ons is, dat we al dat goede krijgen?
Omdat wij nu eenmaal die rust en vrede en recht nodig hebben?
De focus is, God. Het zijn de stammen van de Heer.
“Om het huis van de Heer, onze God, wens ik je al het goede.”

God zelf is de focus van onze vreugde.
Van ons samen–zijn. Van het Recht. En van de vrede die komt.


Nu zijn er nog twee vragen, waar ik een beetje omheen gedraaid heb.
Wie zingt dit eigenlijk; wie is die ik, uit vers 1
die zo blij is, dat hij weer mag?
En daarmee heeft de 2e vraag te maken: wat is dat huis van God dan?

In het opschrift gaat het over David.
Maar als je verder leest krijg je sterk het idee, dat de tempel er al staat.
Jeruzalem is al goed bebouwd, hecht en dicht opeen.
En in vers 5 gaat het over het huis van David.
Daar lijkt het koningshuis van David dus al een tijdje te bestaan.

Er is een Joodse uitleg die toch deze woorden Koning David in de mond legt.
De mensen vragen hem eigenlijk: He David, wanneer ga je nou,
wanneer mag je zoon je opvolgen, zodat hij de tempel bouwen kan,
en we eindelijk kunnen gaan.
Je proeft hierin dat verlangen. Ze staan te trappelen,
te popelen naar een tempel die nog gebouwd moet worden.
Zo verlangen ze naar God.
Zo hebben behoefte aan recht en aan vrede.
En David is dan tevreden, blij.
Ja, als ze zo graag willen, ben ik ook verheugd.

Erg waarschijnlijk vind ik deze uitleg niet.
Maar wel grappig, en mooi, omdat er zoveel verlangen uit spreekt.
Dat neemt mij mee. Dat wakkert bij mij verlangen aan.

Je kunt ook denken aan priesters of levieten, die dit zingen,
Ze hebben hun taak, hun plicht, in het dienen en eren van God.

Maar ik denk dat voor vanmorgen het beste antwoord is
op de vraag wie dit zingt: jij.
Wij zingen dit weer, want het mag elke week weer.
En laat het dan iets uitdrukken van jouw verlangen.
Laat het je voeden, of laat je meenemen,
zodat je de vrede voor het eerst kunt ervaren.

En het huis van God. Dat is dan niet een gebouw,
maar het lichaam van Christus. De kerk, als tempel van God.
Maar ook ons lijf, als tempel van de Geest.
En als wij dit dan zingen, ons verlangen om bij God te zijn,
en verbroedering, en vrede en recht te ervaren.
Dat komt dan samen met Gods verlangen,
om bij ons te wonen, in jou en mij.
Dat maakt het een lied voor jou en mij. Een lied voor onderweg.
Berg op, stijl soms, tegen de klippen op.
Maar met een verlangen naar de eindbestemming.

Hé, ga je mee?! zegt Jezus.
Heb je zin om te wandelen met God?
En dan ga je, je klimt in de bergen, je overwint de hoogte, en jezelf soms,
en dan als beloning het uitzicht; dat is heerlijk.
Letterlijk, Heerlijk. Want we zijn stammen van de Heer.
En weten dat hij alles houdt. Dat hij alles draagt.
De stevige stam, bron die je voedt en doorstroomt.
De stam heeft de vorm van een kruis. Daar zetelt het gerecht.
Het is de troon van Davids zoon.
Daar vind je recht en vrede. Daar drommen we samen.
Rond de stam, rond het kruis, om te horen hoe Jezus je zegt
“Vrede zij in jou.
Omwille van mezelf, de Heer, jouw God, wens ik je al het goede.”

Dus … Ga je mee?
Amen

online delen:

tag gemeenschap herstel vrede boom wijngaard berg verwachting reeds en nog niet

Meer preken uit Psalmen