Votum en Groet (gesproken) NLB 280:1,3,4 (De vreugde voert ons naar dit huis) (Voorzangers) Wet (Spr 8:12-21, 10:5,10,12,17; 11:17, 24, 27 niet op de beamer) Als gebed samen uitspreken: Ps 119:129-135 (BGT) V: Uw woorden zijn voor mij een wonder. A: Daarom wil ik ze niet vergeten. V: Uw woorden brengen licht in het donker. A: Zo weten mensen hoe ze moeten leven. V: Ik wil graag weten wat uw opdracht is, A: dat wil ik het allerliefst! V: Denk aan mij, wees goed voor mij. A: Want u bent goed voor mensen die van u houden. V: Heer, zeg mij wat ik moet doen, A: dan hoef ik niet te twijfelen. V: Bescherm mij tegen het kwaad. Bevrijd me als ik onderdrukt word, A: dan kan ik me houden aan uw opdracht. V: Wees bij mij en bescherm mij. A: Leer me wat uw regels zijn, want ik wil u dienen. Amen L: 1Kon 3:1-15 (lector) Kindermoment over 1Kon 3:16-28 (Wijsheid van Salomo) ELB 58 Zoekt eerst het koninkrijk van God Preek Opw 520:1,2,4 (Voorzangers) Gebedspunten en Collectedoel Gebed Collecte Opw 520:3,5 (Voorzangers) Zegen en amen (gesproken)

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Blijf zitten waar je zit, ga niet nog even lopen voor de koffie
Maar blijf even daar waar je nu bent.
Misschien zit je thuis op de bank, in je lekkere stoel,
of aan de eettafel: no place like home
Of ben je op vakantie aan het meekijken, of hier in de kerk:

Mijn vraag is: Is dat een heilige plek? Daar waar je nu bent?
Hebben we dat eigenlijk? Plaatsen die heilig zijn?
Is de kerk een heilige plek? Dit gebouw?
Is het gebouw aan de Bonenburgerlaan het wel, en de schoolaula niet?
Soms kun je het zo voelen.

Maar echt niet alleen kerken kunnen heilig voelen.
Ook bergen, of het bos.
Door de schoonheid van de natuur, maak je contact met de schepper.
Een zonsondergang, een bloem, zomaar wordt het een heilig moment.

Misschien is dat de reden dat in het oude Israël het vaak over hoogten gaat.
Hier in 1 Koningen duiken ze ook op.
In onze vertaling kun je ze misschien niet heel goed herkennen.
Daar staat dat het volk zijn offers bracht op de offerplaatsen.
In een oudere vertaling, zoals die uit 1951, of de herziene Statenvertaling,
daar kun je zien dat het om offerhoogtes ging.
Je gaat op, loopt omhoog.
in dezelfde richting als zo meteen de rook van je offerdier zal gaan, omhoog.
Op de berg ben je dichter bij de hemel. Dichter bij God.

Hier in het boek Koningen lijkt dat gewoon een gegeven.
De tempel was er nog niet.
En de mensen wilde blijkbaar hun liefde aan God laten merken.
En dan staat er heel simpel:
“Omdat er in die tijd nog geen tempel was gebouwd
voor de naam van de HEER, bleef het volk zijn offers brengen op de offerplaatsen.”


Het lijkt hier misschien positief,
maar die offerplaatsen hebben een vieze smaak in de bijbel.
Je voelt het al een beetje aankomen,
als hier staat hoe Salomo trouwt met een Egyptische prinses.
Dat is natuurlijk een teken van macht, politieke invloed.
Maar later in zijn leven, heeft Salomo niet de wijsheid,
om tegen de druk van al zijn vrouwen en bijvrouwen in te gaan.
Al die afgoden maken Salomo later ontrouw aan God. 1Kon.11:06–7
“Zo liet hij op een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken
ter ere van Kemos, de gruwelijke god van Moab,
en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de Ammonieten.
Voor al zijn buitenlandse vrouwen maakte hij eigen offerplaatsen,
zodat zij wierook konden branden en offers konden brengen voor hun goden. ”

En in de tijd van Salomo’s opvolger, zijn zoon Rehabeam, staat er: 1Kon.14:23
“Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom bouwden ook zij offerplaatsen,
richtten ze gewijde stenen op of plaatsten ze Asjerapalen.”

En nog later, als je het woord offerhoogte in de profeten tegenkomt,
is het eigenlijk altijd een plek voor een afgod.
Dat was het ver daarvoor ook al geweest.
Voordat het volk het land Israël binnenging,
had God al gewaarschuwd voor de offerhoogten van de andere volken.
Hij had juist zijn eigen manier van hem eren ingericht,
in de ontmoetingstent. Dat was in de woestijntijd de centrale plek geweest,
waar de offers werden gebracht, waar God zich liet ontmoeten.
Een heilige plek.


Nu, in de tijd van Salomo, zitten we gek genoeg in een tussentijd.
Er is geen centrale plek om God te dienen. De tempel is er nog niet.
En de tabernakel, de ontmoetingstent, met de ark. Waar is die?
Misschien ken je het verhaal dat David de ark naar Jeruzalem haalt.
Blijkbaar haalt hij alleen de ark, maar waar is de rest?
De tabernakel wordt soms genoemd, in Silo, even later in Nob.
Maar het lijkt niet zo’n grote rol te spelen.
Waar is Gods huis gebleven?
“Omdat er in die tijd nog geen tempel was gebouwd voor de naam van de HEER,
bleef het volk zijn offers brengen op de offerplaatsen.”

Het lijkt alsof de mensen maar wat doen, en Salomo doet met ze mee.

Dan wordt dat verhaal vertelt dat Salomo naar Gibeon gaat.
Het wordt hier de belangrijkste offerhoogte genoemd.
Nu nog is Salomo God echt toegewijd.
Je proeft echte liefde in de overdaad aan offers die hij brengt:
“Wel duizend dieren droeg hij daar op het altaar als brandoffer op.”
Dat is echt veel. Dat is pure toewijding, wat een offer!

Ja, is het echte liefde? De tekst zegt het zo:
“Salomo zelf toonde zijn liefde voor de HEER
door te handelen naar wat zijn vader David hem had voorgehouden,
maar ook hij bracht zijn offers en brandde wierook op de offerplaatsen.”

Dat klinkt niet helemaal positief hè?
Tussen de regels door, maar ook hij,
proef je die vieze smaak, van die offerhoogtes.
Alsof de schrijver wil zeggen: als dat maar goed gaat…

Dit verhaal wordt ook in het Bijbelboek Kronieken vertelt:
Ik lees uit 2 Kronieken 2Kron.1:1–6
“Salomo, de zoon van David, verstevigde zijn positie als koning.
De HEER, zijn God, stond hem ter zijde en maakte hem buitengewoon machtig.
Salomo ontbood de vertegenwoordigers van heel Israël:
de bevelhebbers over duizend man en die over honderd,
de rechters en alle leiders, alle familiehoofden, kortom,
de hele gemeenschap van Israël.
Samen met hen ging hij naar de offerhoogte van Gibeon.
Daar stond de ontmoetingstent van God, die Mozes, de dienaar van de HEER,
in de woestijn had gemaakt.
De ark van God daarentegen was door David opgehaald uit Kirjat–Jearim
en overgebracht naar Jeruzalem, naar de tent die hij ervoor had opgericht.
In Gibeon, voor de tent van de HEER, stond ook het bronzen altaar dat Besaleël,
de zoon van Uri, de zoon van Chur, gemaakt had.
Dat altaar was het doel van hun komst.
Op dat bronzen altaar, voor de ontmoetingstent, in de nabijheid van de HEER,
offerde Salomo; hij bracht er een brandoffer van wel duizend dieren.”

Het is dus niet voor niets dat Salomo naar Gibeon gaat.
Daar is een relikwie uit de woestijntijd.
Het lijkt wel alsof de dienst aan God in stukjes uiteen is gevallen,
en her en der zijn restjes te vinden.
Maar God laat daar vinden.
En dan is dit is het moment waarop Salomo zijn bijzondere droom krijgt.
“Kan ik je iets geven?”


Nu hebben we iets geproefd,
van de rommelige geschiedenis van het volk Israël.
Een volk dat ook maar een beetje wat doet,
en blijkbaar het centrum van hun godsdienst een beetje kwijt zijn geraakt,
precies dan, probeert God Salomo voor zich te winnen.

Alsof God hem wil versieren, dien mij, pick me!
God wil hem verleiden om het goede te doen.
Hij doet moeite voor Salomo.
God wil bewijzen dat hij onze liefde en dienst en offers waard is.
Kan ik je iets geven? Vraag wat je wil.
Dat vind ik mooi van God.
Midden in ons rommelige leven, waar van alles aan je trekken kan.
In het geval van Salomo waren dat zijn vele vrouwen,
het politieke spel van macht.
En alle afgoden en de offerhoogten die daarbij horen.
Voor ons is het misschien hoe je je tijd besteedt,
of je geld, of je lichaam, in hoe je omgaat met eten of sex.
Maar midden in onze mooie maar ook rommelige wereld,
komt God naar je toe: kan ik iets geven?


En ik merk dat ik ook de plek interessant vind.
Als ik denk aan de manier waarop mensen in Israël God diende,
denk ik dus meestal aan die centrale plek, de tempel,
en daarvoor, in de woestijntijd,
aan die ene plek in het midden van het volk: de tent.
Maar nu in deze tussentijd waar God, nu nog met echte liefde,
op verschillende hoogtes in het land wordt geëerd,
het laat zien dat de plaats om God te prijzen niet vast is.
Op diverse heuvels wordt God aanbeden. In Silo, in Nob, in Gibeon.
Er zijn zoveel plaatsen meer, waar God zich laat vinden.

Dit merken wij vandaag ook, in onze rommelige tussentijd.
Misschien was de reflex om te denken dat onze eredienst,
op de zondag, en in het kerkgebouw gebeurt.
Maar God laat zich ook aanbidden,
ja, hij laat zich vinden midden in je woonkamer.
En natuurlijk ook in een schoolaula, of in je vakantietent,
gewoon overal waar God wordt aanbeden, geëerd.
Nu op de plek waar je zit: op de bank, in je lekkere stoel.
God laat zich ook daar ontmoeten, en maakt het een heilige plek.

Paulus zegt het ergens zo: 1Kor.03:16
“Weet u niet dat u een tempel van God bent
en dat de Geest van God in uw midden woont?”

Dat is taal van de ontmoetingstent. Onze godsdienst zit hier.
Draag je altijd met je mee. Nouja, zorg ook dat je leven een offerhoogte is,
die spreekt van dienstbaarheid, van liefde.
Het zit echt niet in de kerkdienst op zondag.

De kerk is niet het samenkomen, het koffie drinken.
Ik mis het, hoor, en we zoeken naar wijsheid,
hoe we gemeente–zijn kunnen ervaren.
Maar het is alsof God een salomonsoordeel heeft uitgesproken,
stukken van onze dienst er–af gesneden.
Om dan je moederinstinct op te roepen,
en uit te roepen wat onopgeefbaar is,
zelfs als jij het niet ervaren mag.


Onze dienst is wat versnippert geraakt, we zijn verstrooid.
Maar juist als we zo verspreidt zijn,
met een leven dat misschien ook wel een mengeling is,
van God willen liefhebben, maar soms ook doen wat niet OK is,
waar we de dienst aan God zomaar kwijt raken
en soms alleen maar een relikwie overhouden,
midden in dat leven wil God naar je toekomen
en je vragen: kan ik je iets geven?

Laten we dan vragen om wijsheid:
Daar vraagt deze tijd volgens mij om.
Om te zoeken, naar zijn wijsheid, naar zijn koninkrijk,
om te ontdekken dat je nu op een heilige plek zit,
en dat zijn koninkrijk ook jouw leven bevat.
En niet alleen nu, maar ook morgen.

En om te ontdekken dat God is te ontmoeten op al die mooi plekken,
een bos, een berg, of gewoon je thuis.
Zeg maar, om te genieten van de hoogten.
Maar dan ook tegelijk een waarschuwing,
om de verleiding te weerstaan om al dat moois los te koppelen van God,
of erger nog, te gebruiken voor de afgoden van vandaag.
Maar als je zoekt naar wijsheid,
als je zoekt naar de ontdekking dat we leven in het koninkrijk van God.
Dan krijg je al het andere er zomaar bij.


Ik vind het opvallend dat als Salomo zijn droom heeft gehad,
dat hij teruggaat naar Jeruzalem: vs 15
“Toen Salomo wakker werd, besefte hij dat hij een droom had gehad.
Bij zijn terugkomst in Jeruzalem
ging hij naar de ark van het verbond met de Heer,
waar hij brandoffers en vredeoffers bracht.
Hij nodigde al zijn hovelingen voor het feestmaal uit.”

Toch terug naar de centrale plek,
daar waar later de tempel zal zijn.
no place like home?

In onze verstrooing, komt ons Jeruzalem naar ons toe,
straks. Vanuit de hemel. Nieuw.
Dat is pas: no place like home.

Amen


online delen:

tag tempel kerk heilig dagelijks leven

Meer preken uit 1 Koningen