Stilte votum en groet NLB 704:1-3 (Dank, dank nu allen God) Wet: zaligsprekingen DNPs 1: 1 en 2 (Gelukkig wie verkeerd gezelschap mijdt) Gebed Kinderlied: Kom aan boord Kinderen gr 1-8 naar kinderbijbelclubs Lezen Joh 20:19-29 Lied van Tomas: Ik ben hem op de voet gevolgd (zie bijlage) Preek Opw 798 (hou vol) Briefjes verzamelen (ondertussen komen de kinderen terug) Gebed Mededelingen collectedoel KR Collecte NLB.939:1-3 Op u alleen Zegen en Danish Amen}

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Hé, waar was je vorige week?!
Niemand zei dat gelukkig tegen Tomas.
En al helemaal niet op een verwijtende toon.
Ook waarom hij er niet was, wordt ook niet gezegd.
Hij hoeft zijn afwezigheid niet te verdedigen.
Hij is niemand een toelichting schuldig.

Eerder waren de leerlingen samen. De deur op slot.
Een aantal ontbraken. Judas was niet meer,
En ook Tomas was er niet bij.
Johannes schrijft niet op waarom niet.
Maar dat roept natuurlijk wel allerlei gedachten op.
Het gerucht ging dat Jezus was gezien.
Kon Tomas niet geloven dat het waar was?
Joh, het is een fantasie. Je gelooft in spoken.
Misschien was het een emotioneel trauma, waardoor hij niet kwam.
En kon hij niet verwerken dat, dat wat hij voelde, zo botste
met die onrealistische leerlingen. Hij durfde niet te geloven?
Tomas had het namelijk zelf gezien,
hoe de Romeinen spijkers door zijn hand joegen;
hoe de speer in zijn zij gestoken was,
alsof je een naald in de cake steekt om te kijken of die gaar is.
Hij had het gezien en hij was er kapot van.
En in zijn verdriet daarover, kon hij niet bij die
ongelofelijk verwarrende mensen zijn,
die zeiden dat, dat wat hij gezien had, niet meer waar was.
Sorry, maar dat trek ik even niet.

Je proeft iets van hoe ontzettend gewond hij is,
als hij zegt: “alleen als ik het met eigen ogen zie,
als ik het zelf kan voelen, dan zal ik geloven.”

Hij wil wel, maar het lukt niet.

Misschien vind je dit brutaal van Tomas,
of ongelovig, of te twijfelend.
En denk je: dat mag je toch niet zeggen?!
En Jezus zegt zo meteen tegen Tomas: “Wees niet langer ongelovig, maar geloof”
en later “Omdat je me gezien hebt, geloof je.
Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven”

En dat horen we zomaar als een verwijt, een aanklacht.


Maar dat is het niet. Tomas is een goede leerling van Jezus.
Voor Jezus stierf had hij zich een keer apart tot de leerlingen gericht,
en zei: “Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen!
Want ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd
te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien,
en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.”
Mt.13:16,17
Er is niets mis met zien, en dan geloven,
er is niets mis met het willen ervaren.
Dat hadden de profeten ook wel gewild…
Jezus geeft twee zaligsprekingen:
Als je het ziet en gelooft, ben je gelukkig te prijzen,
en als je niet ziet, en toch gelooft ook.

Die eerste zaligspreking is dus voor Tomas:
Gelukkig jullie ogen omdat ze zien!
En dat is precies wat Tomas nu vertwijfeld uitroept.
Dat heb ik nu zo nodig!
Als ik het met eigen ogen zie, dan zal ik geloven!

Die laatste is voor jou. Gelukkig ben je:
we hebben Jezus niet in vlees en bloed gezien, en toch geloof je.


… Maar wat als je niet gelooft? Als je kind twijfelt:
Sorry, maar het zegt me niets; het heeft voor mij geen meerwaarde.
Als ze je bedanken voor de opvoeding,
de normen die je ze bijbracht,
maar als ze God, die voor jou het meest waardevol is,
niet op waarde schatten.
Als het zo kwetsbaar is geworden,
dat je er eigenlijk niet meer over durft te beginnen.
Of iemand die je lief is, zegt: ik zie er niets van.
Merkte ik er maar wat van. Kon ik het maar zien, ervaren!

En als je je dan ook zelf niet altijd zo stabiel voelt,
niet zo overtuigd… Want laten we eerlijk zijn, dat is soms lastig.

Vanmorgen gaat het over de pijn die we voelen
als kinderen, of je broer of zus de kerk hebben verlaten,
ze geloven misschien nog wel, maar je vraagt je bang af,
hoe ze dat volhouden, zonder gemeenschap om hen heen?
Het gaat over de pijn als je naaste God echt kwijt is,
en hij of zij Hem eigenlijk helemaal niet zo mist.

Als jouw kind niet mee naar de kerk gaat,
maar wel keer op keer verwijtend hoort: “Hé, waar was je vorige week?!”
Dan raakt je dat, omdat het precies is,
waardoor de drempel nog hoger wordt om weer te komen.
Of als ze juist nooit een stem in liefde heeft gehoord:
“We hebben je gemist.” En dat raakt je,
omdat juist die persoonlijke aandacht zo belangrijk is.
Het gaat over de pijn, dat als je broer of zus niet meer delen kan,
dat Jezus is opgestaan, en dat hij de bron is van echte vrede.
Als je niet meer kan delen wat je raakt,
wat je bemoedigt, wat je diepste geluk is.
En je twijfels… die kun je al helemaal niet delen,
want dat is voer voor verhitte discussies…

Dan is Tomas ook nog eens een lastig verhaal.
Want is onze pijn niet juist: dat het zo steekt, oneerlijk is,
dat Tomas uiteindelijk wel komt, en jou kind niet.
dat Tomas het wel te zien krijgt, maar jou kind niet?
Als je bij het ene kind wel ziet,
dat de beloften van de doop te vertrouwen zijn,
maar bij de jouwe… Durf je het nog te geloven?
Bij Tomas komt het goed. Maar in jullie gezin?
Die vraag is soms ondragelijk: het niet–weten, het bang zijn,
je machteloos voelen. Ligt het aan mij?
Had ik getuigender moeten zijn, of juist geduldiger,
had ik meer moeten spreken?!
Of een schuldgevoel: had ik maar gezwegen…


Bij het verhaal van Tomas is makkelijk om onze niet–gelovende,
of twijfelende kinderen, broers, zussen, partners, te koppelen aan Tomas.
Dat zijn de Tomassen. Zij zijn afwezig. Komen niet.
En als ze er al zijn, dan met twijfel; willen het eerst zien.

Maar vanmorgen lezen we niet de ander, maar onszelf in Tomas.
Want ook wij zijn die leerlingen, die zo naar Jezus verlangen,
soms zoveel dat het zeer doet,
Wij zouden zo graag willen zien dat Gods beloften
zichtbaar werd, dat er een antwoord kwam.
Of soms hebben wij zoveel pijn, vertwijfeling,
dat we even wegblijven. En God snapt wel dat het zo werkt.

Maar belangrijker nog; ook wij hebben Jezus nodig.
Hij, die Tomas geeft wat hij nodig heeft,
wil dat ook jou en mij geven.
Kijk, op een hele open manier is Jezus beschikbaar.
Opeens is Jezus daar.
Hij komt binnen zonder veroordeling, zonder verwijt,
maar heel uitnodigend, heel open.
Hij nodigt uit om elkaar te vergeven.
Is dat misschien waarom we niet weten, waarom Tomas er niet was?
Want dat is nu weg. Het doet er ook niet meer toe.
Nu is er vrede.

Dan laat hij zichzelf zien.
Hij laat zijn leerlingen kijken naar een raadsel.
Want sinds zijn opstanding is Jezus niet zomaar Jezus.
Nee, hij is degene die de dood heeft verslagen,
de held, de overwinnaar, de verlosser en bevrijder.
Met zijn verheerlijkt lichaam,
kan hij zomaar achter gesloten deuren komen.
Terwijl de leerlingen echt zorgvuldig de boel op slot hadden gedaan,
breekt Jezus in hun onvrede in, met vrede.

Maar dan zegt hij tegen alle leerlingen, in al zijn gewoonheid,
in kwetsbare gewondheid zelfs: Ik ben het. Kijk maar.
“Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde.”
En dat is een raadsel.
Waarom heeft Jezus’ verheerlijkte lichaam wonden?
Waarom draagt de held, de overwinnaar littekens?
Hoort hij niet perfect te zijn, geheeld en volmaakt?
Nu alles hersteld is, waarom dan nog die herinnering daaraan?
Maar ik geloof dat de wonden bij het lichaam van Jezus horen.
Ook als hij zich later aan Johannes openbaart,
is dat ook, als een Lam dat geslacht is.

De profeten, die het zo graag hadden gezien,
hadden er maar een glimpje van opgevangen:
“Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken.
Voor ons welzijn werd hij getuchtigd,
zijn striemen brachten ons genezing.”
Jes.53:5
Jezus verstopt zijn leed dan ook niet.
Hij schuift het niet onder het tapijt van zijn goddelijkheid.
Zo van: Klaar! Dat hebben we gehad. Hier ben ik te groot voor.
Nee. De wonden horen bij Jezus.


Een week later komt Hij weer.
En heeft de verzuchting van Tomas gehoord.
Hij wijst Tomas’ verdriet en twijfel niet af.
Hij geeft ruimte aan het ongeloof, want hij weet wel dat het zo werkt.
“Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen!”
Maar dan zet Jezus ook door.
Ok. Je wilde voelen, je vinger steken in de zij,
alsof je een naald in de cake steekt. Kom dan maar.
En hier zijn mijn handen. Kijk maar, voel dan.
Dit zijn de wonden waar ik aan ben gestorven.

Tomas wordt met zijn neus op de feiten gedrukt.
Ja, hij had het goed gezien, die spijkers, de speer.
En nu kijkt hij zijn eigen pijn in de ogen.
Dat hartverscheurende verdriet, de dagen van onzekerheid.
Maar Jezus komt Tomas tegemoet.
En hij legt Tomas’ vinger op de zere plek.
De worsteling van Tomas, de pijn, het ongeloof,
die knagende twijfel en het niet durven hopen.
Het was Tomas’ pijn, maar het is ook Jezus’ zere plek.
In het aanraken, ontdekt Tomas,
dat zijn ongelooflijke pijn, door Jezus is overgenomen
en het onverdraaglijke verdriet, op hem is overgedragen.
Mijn wonden, mijn verdriet, Jezus heeft het overgenomen.
Raak de wonden aan.
Maar zie dan: die pijn en die beurse plekken horen nu bij Jezus.


Jezus doet hier voor hoe we samen een lichaam zijn.
Hij is open en uitnodigend. En op een hele wervende manier,
is hij ook niet bang om Tomas heel direct te benaderen.
Niet afwijzend, veroordelend; maar draait ook niet om de hete brij heen.
Jezus hoeft niet op eieren te lopen. Want hij komt in vrede.
Zijn we net zo uitnodigend en open naar elkaar?
Mogen we bij elkaars pijn komen?
Durf je dat te delen, het gewone en het gewonde?
Of delen we alleen een verheerlijk lichaam?

Jezus zoekt ook de pijnpunten op.
Want hij wil dat je ziet, dat Jezus dat geleden heeft.
Zijn wonden zijn voor alle leerlingen. Voor jou.
Nu je het hebt gezien, geloof dan ook.


Vanmorgen hebben we pijn,
en ik denk dat iedereen hier mee te maken heeft.
We zijn een lichaam, en we zijn niet compleet.
Er zijn gaten geslagen in het lichaam van Christus,
en dat doet zeer.

Paulus beschrijft het later zo:
“Als de voet zou zeggen: ‘Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam,’
hoort hij er dan werkelijk niet bij? En als het oor zou zeggen: ‘Ik ben geen oog,
dus ik hoor niet bij het lichaam,’ hoort het er dan werkelijk niet bij?”
1Kor. 12:15,16
Natuurlijk horen ze erbij. En we missen ze.
Het voelt alsof er gaten in het lichaam zit.
Geamputeerd, we zijn niet compleet.

Jezus nodigt zijn leerlingen uit, die eerste zondag,
een week later met Tomas erbij, en vandaag ook weer,
om die wonden aan te raken.
Om dichtbij te komen bij die plek die zo steekt.
Om de pijn te delen.

Maar dan gebeurt er ook iets.
Hun hele periode hadden de leerlingen Jezus aan het werk gezien.
En diverse keren bewonderde ze hem.
U bent de Messias! zeiden ze.
En: Wie is hij toch dat wind en water hem gehoorzaam zijn?
Maar Tomas is degene die Jezus de hoogste lof geeft: “Mijn Heer. Mijn God.”
Het is de enige plek waar de leerlingen zeggen dat Jezus God is.
Dit is de hoogste geloofsbelijdenis die je in hele bijbel aantreft.

In de wonden, door de littekens heen,
dwars door deuren die we liever gesloten houden,
en de pijn die we liever binnen houden,
dwars door de pijn, ontdekt Tomas op de diepste manier, wie Jezus is.
Door zijn eigen pijn op de wonden van Jezus te leggen,
ontdekt hij wie Jezus voor hem is. Dat hij het gedragen heeft.

Die wonden zitten in Jezus’ hand.
Die gaten in het lichaam, de kerk, de mensen die we missen,
die zijn in Jezus hand.
Raak de wonden aan.
Wij zijn in Jezus’ hand. Amen


online delen:

tag kerkverlating ongeloof wonden verdriet zaligspreking kwetsbaar Tomas T.Halik

Meer preken uit Johannes