Stilte Votum en Groet Ps 118:1,5,8 (Laat ieder 's Heren goedheid prijzen) Gebed ELB 161:1-3 (Komt, laat ons vrolijk zingen) Kinderen naar KBC Lezen: Luc 20:9-19 (tekst voor de preek) PSLL 16:1,2,4 (Bewaar mij, want ik schuil bij u, mijn God) Lezen: Ef3:1-13 Preek over Luc 20:9-19 Opw. 249 (Heer wat een voorrecht) Viering maaltijd van de Heer (gaand) SV Wet NLB 381:1,4 (Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet) Gebed Luisterlied Avondmaal Sela (komt per we-transfer) Instellingswoorden Gaande viering NLB 381:6 (U wil ik danken) Gebedspunten KR Gebed Collecte Kinderlied: Kopw 145 (Jezus ik wil u bedanken) Op Toonhoogte 237 (O Vader die de landman zijt) (melodie ps 84) Danish Amen

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Vader heeft een wijngaard.
Wat zegt het toch over God, dat hij zo graag wijn serveert?

En terwijl ik daar over aan het nadenken was,
lazen we van de week ’s avonds aan tafel
gelijkenissen over graan op de akker,
zaad dat gezaaid wordt, en op verschillende plaatsen terecht komt.
Ook daar presenteert God zichzelf als iemand die het land verzorgt.
En het heeft iets zorgzaams:
Van het royaal uitstrooien, zaaien met het grote gebaar;
via het fijne maatwerk:
het voeden en onderhouden van de zaailingen,
het gepriegel en het leiden van de takjes;
via het bijsturen, bij–snoeien, tot het oogsten toe.
En dan de voldoening dat je daarmee mensen voedt.
Volgens mij past dat bij God.

Deze week zag ik een mooi filmpje voorbijkomen over de geschiedenis
van Nederlandse landbouwers en melkveehouders.
Hoe men in Nederland, na de hongerwinter, zich heeft ingespannen,
om te zorgen dat dat toch nooit weer gebeurt.
Van een schrijnend tekort, nu naar export en een melkoverschot.
Naar duurzaam en verantwoordelijk ondernemen.
Je proeft daarin de liefde en de verantwoordelijk:
Alsof de boeren zeggen: wij voeden het hele land, en dat is mooi werk.
Ik denk dat we daar allemaal iets van voelen,
als je het broodtrommeltje voor je kinderen klaarmaakt,
of de avondmaaltijd bereidt. Je zorgt voor mensen die je lief zijn.
Dat past beeld dus precies bij God.

Maar in deze gelijkenis, gaat Vader niet over de algemene voeding, foto
zeg maar, een simpele doch voedzame maaltijd, bammetjes met kaas.
Maar hij heeft een wijngaard. Daar komt dus een laag van genieten bij.
Een luxe–product, iets van plezier en van feest.
God wil voeden en verzorgen,
en heeft bovendien de vrolijkheid op het oog.
Hij wil de sfeermaker zijn op zijn eigen feest.
Hij bedient ons van wijn, die het hart verheugd.
Dat van hem en van ons.


Profeten en psalmen hebben het beeld van de wijngaard
vaak op Israël toegepast. Een voorbeeld, uit psalm 80: Ps.80:09–10
“U hebt een wijnstok uitgegraven in Egypte,
en volken verdreven om hem te planten.
U gaf hem een ruime plek, hij schoot wortel en vulde het land.”

Je proeft hier de zorgzaamheid van de wijnboer.
God heeft plek gemaakt voor ons. Een mooie goede plek in zijn tuin.
Vanuit Egypte, door de woestijn, naar vruchtbaar land.
En de bedoeling is, dat die tuin een aangenaam erf is.
En van de wijnstok, zijn volk? Hij wil dat het zijn vaderhart verheugd.
Wat hij wil: is een paradijsje.
Een herinnering aan waar hij zo graag wandelde. Als God in Frankrijk.

Maar is het een aangename plek? Is het feest? Jes.5:1,2
De profeten gebruiken het beeld van een wijnstok die tegenvalt,
ondanks de goede zorgen van wijnboer. Jesaja bijvoorbeeld:
“Voor mijn geliefde wil ik zingen het lied van mijn lief en zijn wijngaard.
Mijn geliefde had een wijngaard, gelegen op vruchtbare grond.
Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit en plantte een edele druivensoort.
Hij bouwde er een wachttoren, hakte ook een perskuip uit.
Hij verwachtte veel van zijn wijngaard,
maar die bracht slechts wrange druiven voort.”

En bij Hosea wordt het beeld verder ingekleurd: Hos.10:1–2a
“Israël was een weelderige wijnstok, die volop vruchten voortbracht.
Maar hoe meer vrucht de wijnstok droeg, hoe meer er op de altaren kwam;
en hoe rijker het land, hoe rijker versierd de gewijde stenen.
Zo bedrieglijk is dat volk!”

God zegt dan dat hij de wijngaard laat verwilderen.
dat hij het opgeeft, overgeeft aan de natuur.
En dat is waar de psalm die ik net noemde, zo’n verdriet van heeft: Ps.80:13–14
“Waarom hebt u zijn omheining vernield?
Voorbijgangers plukken hem leeg, wilde zwijnen wroeten hem om,
velddieren vreten hem kaal.
God van de hemelse machten, keer u tot ons,
kijk neer uit de hemel en zie, bekommer u om deze wijnstok,
de stek die uw hand heeft geplant, het kind dat u zelf hebt grootgebracht.”

En hiermee zitten we midden in de gelijkenis zoals Jezus hem vertelt: zwart
God stuurt profeten naar Israël toe, keer op keer.
Hij stuurt knechten naar de wijngaard, om een deel van de oogst te halen.
God zoekt goede vruchten op het erf wat van hem is.
En wat vindt hij?
Niet wat hij bedoeld had, als sfeermaker,
als plek waarmee God ons wilde verzorgen in vrolijkheid.
De sfeer is ronduit onaangenaam. Hij vindt alleen wrange vruchten.
En pachters die denken bezitter te zijn.
Ze voelen er zich zo thuis, ze worden bezetters,
De pachters blijken zelf de rotte appels te zijn.

Maar de wijngaard is van God. En dan vraag Jezus: Luc.20:15b–16
“Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen?
Hij komt zelf, doodt de wijnbouwers en geeft de wijngaard aan anderen.”

De mensen voelen heel goed wat Jezus bedoelt:
Als de wijngaard altijd een beeld is geweest van Israël zelf,
wat betekent het dan als God de pachters doodt,
het mooie erfdeel aan anderen geeft?
dat kan niets anders betekenen dan weer ballingschap,
weer het oordeel en weer vertreden worden in de perskuip van woede.
Moet het volk nogmaals ontwortelt worden?
Opnieuw door dat trauma heen?
“Toen de mensen dit hoorden, zeiden ze: ‘Dat nooit!’”


Vader heeft een wijngaard. zwart
Van hem is de wereld, niet van ons,
niet van de leiders of politici, de Farizeeën, de pachters.
En je kan uit het verhaal halen,
hoe ook wij zorgvuldig moeten omgaan met alles wat ons is toevertrouwd.

Ik ben niet de eigenaar van dit lichaam,
maar heb het van God gekregen, en zal er goed voor moeten zorgen.
En dat geldt voor alles wat aan je is toevertrouwd.
Mijn groei? Mijn levensdagen? Ik kan er vrijwel niets aan doen.
Ik kan het niet besturen, en heb er geen recht op.
Ik bezit niet een plek op aarde die echt helemaal van mij is.
Ja, God geeft me een plek om van te leven,
en het is meer dan goed wat we krijgen, aan leefbare ruimte. Ps.16:6
“Een lieflijk land is voor mij uitgemeten,
ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.”

Of zoals we het vanmorgen eerder zongen:
“Hij houdt me vast en laat me vrolijk leven
met al het moois dat hij mij heeft gegeven.”

Maar dat is allemaal tijdelijk. Niet voor altijd van mij.

Daarmee voorkomen we om een beetje neer te kijken op de Farizeeën, zwart
die dachten eigenaar van de traditie te zijn.
Want ook wij kunnen ons toe–eigenen wat niet van ons is.
Proberen vast te houden, en het niet uit handen durven geven.
Alles is toch van God?

Maar in dit verhaal, heeft het ook toch wel een specifieke kleur.
De heftigheid: “dat nooit!”, gaat ook echt over de joodse leiders.
Over de bewoners van de tuin die de Zoon niet wilden herkennen.

De wijngaard is het erf van God. En de Zoon is de erfgenaam.
Maar in plaats van te luisteren naar de wetten van God,
bepaalden zij een nieuwe last, zwaardere verplichtingen.
In plaats van te luisteren naar de woorden van God,
kozen ze ervoor om de profeten het zwijgen op te leggen.
Het Woord van God maken ze monddood.
De Zoon, die gooien ze eruit, joegen hem van het erf af.
Ze gooien hem buiten de tuin, wat toch het beeld voor Israël was.
Eigenlijk gooiden ze hem dus uit het verbond.
Hij hoort niet in hun beeld van het paradijs.
Hij hoort niet in het land van de levenden
maar wordt doorverwezen naar de buitenste duisternis.

Als je Efeze 3 erbij neemt (hebben we gelezen) dan proef je daar iets van.
Paulus is super enthousiast over dit eeuwenoude geheim van God.
Daardoor heeft hij er ook wel veel woorden voor nodig,
maar het punt wat hij maakt is:
God wil jou en mij erbij hebben.
Dat God alle volken, de heidenen, erbij wil hebben.
Paulus zegt: Ef.03:8,9
“Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken
om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen,
en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie
dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van het al,
werkelijkheid wordt.”

Voor allen. Hier wordt de wijngaard aan anderen gegeven.
Wijn voor jou en voor mij.
Brood voor jou en voor mij.
Voor u, niet–jood, is een plek op het erf van God.


Maar als je dan nog eens goed leest, Paulus zegt: Ef.03:5,6
“Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld,
maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten:
de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis,
maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte,
op grond van het evangelie.”

Erfenis. Dat woord. Het is precies wat de pachters wilden hebben.
Dat waren de dollartekens in de ogen,
toen ze de erfgenaam op het erf zagen komen.
En ze wilden het van hem afpakken.
Het zou van vader op zoon overgaan.
Maar nu zegt Paulus dat ook wij mogen delen in de erfenis.
We zijn mede–erfgenaam.

We zijn niet zomaar knechten, pachters, iemand in loondienst,
iemand wie God wel een plekje gunt.
Nee, hij maakt ons kinderen. En je weet dat je kind bent,
als de Geest in jou, God je Vader laat noemen.
Paulus zegt het ergens anders nog wat duidelijker. Rom.08:16–17a
“De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn.
En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God.
Samen met Christus zijn wij erfgenamen”

Vader heeft een wijngaard.
En daar wil hij van delen met al zijn kinderen.


De pachters stoten elkaar aan, en wijzen naar de zoon. zwart
“Daar is de erfgenaam! Laten we hem doden…”
Je voelt hoe dit gaat over het lijden.
Jezus kondigt het aan, als echte profeet, hoe hij gedood zal worden.
Ook waarom hij gedood zal worden.
Om dat, waar mensen bang van roepen: Dat nooit!
Ze sturen Jezus in ballingschap. Het paradijs uit. De dood in.
Maar dat is nu precies hoe de erfenis vrijkomt.

Het is een bittere beker die Jezus drinken moet.
De wijn van Gods woede, hij moet van alles van ons slikken,
en ziet daar vreselijk tegenop; Luc.22:42
“Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg.
Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.”

Hij is niet de eigenaar van zijn lot, maar de pachter,
een goede pachter, die het uit handen geeft, en aan Vader overlaat.
Een die juist daardoor vruchtbaar is.
Zo vieren we avondmaal in de lijdenstijd.

En er zit nog een moeilijkheid in al deze teksten.
Want het is natuurlijk heel mooi, dat Jezus ons laat delen in alles.
Het is heerlijk dat we geen slaven zijn, geen pachters,
niet maar huurlingen die op het erf worden gedoogd,
het is feest om zoon en om dochter te zijn.
Om te delen. Brood en wijn.
Het was het eeuwige geheim waar Paulus zo enthousiast van is.
Dat Gods goedheid met alle volken gedeeld wordt.

Maar Paulus maakt de gedachte van het mede–erfgenaam zijn,
wel op deze manier af. Hij zegt: Rom.8:17
“Samen met Christus zijn wij erfgenamen:
wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister.”

En in Efeze 3 eigenlijk precies hetzelfde: Ef.3:13
“Ik vraag u dan ook de moed niet te verliezen wanneer ik lijd omwille van u”
Wil je delen in alles van Jezus, dan deel je mee in zijn ellende.
Daar voel je iets van, zwart
als mensen misbruik maken van wat hen is toevertrouwd.
Als men niet zorgzaam maar bezitterig is.
Als je op je een werkslaaf voelt, eigendom van je baas,
of van je agenda, of van de werkdruk.
Als alles tot de laatste druppel moet worden uitperst,
als mensen elkaar afpersen en tot object verlagen.
Lijden voel je als je de gebrokenheid ervaart,
je sterfelijkheid of zwakte voelt, de strijd met jezelf verliest.
Lijden voel je als je om je geloof eruit gegooid wordt.
Mensen vinden dat je niet past in hun beeld van wat zij paradijs noemen.


Maar we mogen vanmorgen juist vieren, dat we bij God horen.
Jezus heeft de beker van Gods woede tot de laatste druppel opgedronken.
Jezus heeft het hek dat om het erf zat, geopend
en alle hongerigen en armen, alle uitgestotenen uitgenodigd.
Zondaars, die weten dat ze kind aan huis mogen zijn.

Onze Vader heeft een wijngaard. En dat past bij Hem.
En voor ieder die lijdt aan zijn zonden, kunnen we bij hem terecht.
Om gesnoeid te worden, om gevoed te worden.
Om de liefdevolle aandacht van de wijnboer te ondergaan,
zodat we vrucht zullen dragen.
Om te genieten, om vrolijk te zijn.

Onze Vader heeft een wijngaard.
en we kunnen het weten want we zijn mede–erfgenaam.
Hij is zo zorgzaam:
Van het royaal uitstrooien, zaaien met het grote gebaar;
via het fijne maatwerk: het voeden en onderhouden van de zaailingen,
het gepriegel en het leiden van de takjes;
via het bijsturen, bij–snoeien, tot het oogsten toe.
En dan de voldoening dat je daarmee mensen voedt.

Neem van het brood en van de wijn.
En bedenk dat jij aan de wijnstok zit.
Dat jij zijn vaderhart verheugd.
Dan is dit erf, deze hof, aangenaam door de erfgenaam.

Amen


online delen:

tag avondmaal wijngaard erfenis lijden loslaten genieten

Meer preken uit Lucas