Votum en Groet GK 132:1,3,5,6 (Dank U, voor deze nieuwe morgen) Gebed (toelichting bijbelzondag) GK 23 (Uw woord is een lamp voor mijn voet) Wet Mat 22:34-40 BGT NLB Ps 119a:1,3,4 (Uw woord omvat mijn leven) Kinderen naar KBC T: Mat 22:1-14 LL-Ps 1:1-3 (Gelukkig is de man die niet bezwijkt) L: Mat 13:24-30 NLB 715 (Zoals halmen buigen in de wind, oefenen voor dankdag) Preek over Mat 22 GK 74:1-3 (Als een bruid op haar mooist) kinderen terug Gebed (NBG, radio) Collecte NLB 766 =lvk 114:1-3 (Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen) Zegen

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Als ik denk aan wat God doet,
dan is het eerste wat bij me opkomt: dat het volmaakt is.
Maakt Hij iets, dan is het goed.
En het is te zien dat het goed is, en dat moet gezegd worden.
Dag na dag: en zie, het is goed.
Alles wat God doet is perfect, het is foutloos, het is prachtig.
God laat geen steekjes vallen.

Dus als Hij een feest geeft,
– God is natuurlijk die koning uit de gelijkenis –
dan verwacht je dat de uitnodigingen er mooi uit zien,
dat alles tot in de puntjes is geregeld, en gladjes verloopt.

Wat je niet verwacht, is de tegenslag dat mensen niet willen komen.
Je verwacht niet dat de Koning, die uitnodigt voor een vrolijk feest,
dan zó zijn humeur verliest, en razend de hele stad platbrandt.
Je verwacht niet dat dan iedereen maar uitgenodigd wordt, een ratjetoe.
Dat er goede en slechte mensen tussen zitten.
En dan lijkt het helemaal kieskeurig als de Koning,
er iemand tussenuit vist, die zich niet hield aan de dress–code.
Als een rotte vis wordt hij eruit gegooid,
uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt;
dat is een omschrijving van de hel.
Dit verwacht je allemaal niet, als je nadenkt over de volmaakt goede God,
een vrolijk feest, een gelijkenis over het koninkrijk van de hemel.

“Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.”
Dat is een conclusie die Jezus aan het eind geeft.
En ik vind het best zware kost.
Maar Jezus’ woorden zijn het waard om te horen,
om te herkauwen, om opnieuw binnen te laten komen.
En ik hoop dat we dan samen mogen kijken naar God,
die inderdaad alles klaar heeft staan,
en op zijn volmaakte manier, ons erbij geroepen heeft.


Jezus vertelt deze gelijkenis op het moment,
dat de leiders hem willen gevangennemen.
Het enige wat hen tegenhoudt, (staat in het vers precies voor de tekst)
is dat Jezus zo populair is bij het volk. Mt. 21:46
De massa geloofde dat Jezus een profeet was.

En dan komt vers 1: “Daarop vertelde Jezus hun opnieuw een gelijkenis.”
“Opnieuw”, want al eerder had Jezus door middel van gelijkenissen
de spiegel voorgehouden, hoe het volk Israël, de eeuwen door,
met de profeten omging die God stuurde.
God laat namelijk zijn woorden klinken;
stuurt zijn boodschap en zijn boodschappers de wereld in.
Precies hiervoor vertelde Jezus een gelijkenis over de wijnpachters.
De eigenaar verhuurt zijn prachtig gemaakte tuin, verpacht die.
En dan stuurt God knechten om de opbrengst te innen.
Maar de pachters tuigen de knechten af, de volgende net zo. Mt 21:33–40
Uiteindelijk stuurt de eigenaar zijn zoon; naar hem zullen ze wel luisteren.
Maar nee hoor, ze doden hem: Zo gaat Israel met zijn profeten om.

Dat willen de leiders dus met Jezus doen.
Ze houden zich alleen nog in omdat het volk denkt dat Jezus een profeet is.
Maar dat zal de ze niet tegenhouden.

En God weet dat, en hij is er klaar voor. Hij stuurt zijn Zoon toch.
De uitnodiging zal hij er niet om laten want velen moeten geroepen worden:
“Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!”

Maar de nodigende woorden van God worden dood–gezwegen: vers 5
“Ze negeerden hen en vertrokken,
de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel.”

In Lukas 14 staat dit deel van de gelijkenis wat meer uitgewerkt,
en in detail horen we de smoesjes: Lk 14:18b–20
“Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken.
Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.
En een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren;
tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.
Weer een ander zei: Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.”

In Matteus horen we niet de (ahem) ‘beleefde’ afwijzingen,
die eigenlijk keiharde slagen zijn, in het gezicht van de koning.
Het negeren en dood–zwijgen van de uitnodiging wordt letterlijk in vers 6
“De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen.”

De Koning wordt woest.
Die Israëlieten die in Jezus’ tijd leefden: volk van God,
maar zijn woord willen ze niet horen.
Ze zitten er met hun neus boven op, maar bedanken vriendelijk.
Jezus’ tijdgenoten en mensen uit de dorpen waar hij was,
krijgen meer van Gods liefde te zien dan wie ook.
Maar als ze dan weigeren zegt Jezus ergens: Mt 11:24, (10:15)
“Ik zeg je dat op de dag van het oordeel
het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van jou.”

Even tussendoor. Het is bijna de 500–jarige herdenking van de reformatie.
Daarom wordt er veel naar Luther gekeken.
En hij heeft dingen geschreven die anti–Semitisch zijn of lijken.
Wat Jezus hier zegt is heftig voor de Joodse leiders.
Dat moeten we niet toepassen op alle Joden vandaag.
En tegelijk mogen we ook niet uit angst voor de terechte woede van God,
aarzelen om te zeggen: dat de joden toen
een oordeel van God moesten ondergaan:vers 7–8
“De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen erop af,
hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren:
Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest,
maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden.”

En nog geen 40 jaar nadat Jezus dit zei
was de stad Jeruzalem door de Romeinen verwoest.
En schafte God, met de verwoesting van de tempel, de offerdienst af.
Want: “alles staat al klaar voor het bruiloftsfeest.”


Dit is de eerste helft van Jezus’ gelijkenis.
Ook al staat alles klaar, de mensen hoeven het niet.
En daar zit de Koning dan, klaar voor een feest zonder gasten.
God stroomt over van liefde, en aan wie moet hij het kwijt?
Dan maar de straten op.
“Ga daarom naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt”

Het goede nieuws gaat dan van Jeruzalem, naar Samaria,
naar Turkije, naar Griekenland. Van Ierland en Luxemburg naar Dokkum.
Naar Wittenberg, en Epe en Heerde. Naar de nieuwe wereld,
naar alle hoeken van onze ronde aardbol. Iedereen mag komen.

Nouja, iedereen?
Gaat God dan iedereen welkom heten op het bruiloftsfeest?
Wordt iedereen gered?
Jan en Alleman mag binnenkomen, want velen worden geroepen.
Dat is toch wat de kerk is? jood en griek, blank en zwart,
een veelkleurige gemeente.
Maar dat is niet wat de tekst zegt.
Matteüs zegt: “De dienaren gingen de straat op
en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte”

Nu iedereen mag komen, zit hier goed en kwaad door elkaar. Goed en Kwaad.
Dit is waarom we die andere gelijkenis van Jezus hebben gelezen.
Op de akker, waar God toch echt alleen het goede zaad heeft gezaaid,
komt het koren op.
Maar er is ook onkruid. Omdat de vijand alles wil stuk maken.
En dat woekert maar, en verdrukt maar, en drukt de oogst.
Nu zitten ook wij hier, als kaf en koren, goed en kwaad door elkaar.
En laat die vraag ook maar eens op je af komen:
we zitten hier als geroepen, maar is iedereen uitverkoren,
of zijn dat er maar weinigen van ons?


Het lijkt genadeloos om die man die niet de goede kleren aan had,
eruit te gooien. Daar kan je van schrikken.
Want weer verliest de Koning zijn goede humeur: Mt 22:12–13
Eventjes lijkt het oké, als hij hem “vriend” noemt,
maar het vervolg is niet bijzonder amicaal.
“Hoe ben je hier binnengekomen
terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?”

Als de man niets weet te zeggen, zegt de koning tegen zijn dienaars:
“Bind zijn handen en voeten vast en gooi hem eruit,
in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.”

Maar mag je van de zwerver die je van de straat plukt,
verwachten dat hij goedgekleed op het feest komt?
Dit is een vraag die weerstand oproept bij het verhaal, hè?
– Daarom is het goed om te kijken wat die kleren eigenlijk betekenen.
Door het hele nieuwe testament zijn goede, schone kleren,
een symbool van goed mooi leven.
In Openbaring bijvoorbeeld gaat het over het bruiloft van het lam.
De bruid staat klaar: “Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen. Opb 19:7–8
Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen.”

Witte kleren, kleren die passen op een bruiloft,
het is een symbool voor al het goede dat ze hebben gedaan.
Wat betekent het dan, dat deze gast op het feest is zonder goede kleren?
Dat hij dus niet goed was. Dat hij geen vrucht droeg.
Hij is onkruid, niet door God gezaaid.
En de Koning vist hem eruit. Die hoort hier niet…
“Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren”

Maar dit lost de weerstand niet helemaal op.
Moet ik dan goed zijn, voordat ik bij God pas?
Hoe kom ik aan witte kleren? Hoe wordt ik een beter mens, die goed–doet.
En als Jezus dan ook nog dreigend zegt,
dat er wel veel zijn geroepen, maar dat dat geen garantie is,
dat er maar weinig door God gekozen zijn…


Dit vind ik best wel zware kost. En ben niet de enige.
Luther werd er bang van.
Hij vroeg: Hoe krijg ik een genadig God?
Hoe zorg ik dat de koning niet zomaar boos wordt?
Als God alleen maar echte gelovigen als rechtvaardigen aanneemt,
dan heb ik een probleem. Want ik ben niet zo best…
Ik heb toch niet de goede witte kleren aan?
Hij was zich erg bewust van wat Paulus in Romeinen ergens zegt: Rom 1:18
“Vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al het kwaad en onrecht”
Paulus zegt daar ook: “de rechtvaardige zal leven door geloof”
En dat is een probleem als je op jezelf probeert goed te worden.

Totdat het kwartje viel:
dat ik niet in m’n uppie, mezelf goed–maak,
maar dat God mensen rechtvaardig maakt.
Ik ga niet zelf mijn witte kleren maken, mijn goede dingen doen,
als het daarvan afhangt, dan kan ik het schudden.
Maar daarvoor moet ik bij God zijn.
In Openbaring wordt over de gelovigen gezegd:
“zij hebben hun kleren wit gewassen in het bloed van het Lam.” Opb 7:14

Maar dat betekent dus ook, dat die gast die de koning eruit vist,
niet langs het Lam is gegaan.
Hij wilde zich niet laten witwassen; dacht er zo wel te komen.
Het is niet genadeloos van God, dat hij hem eruit gooide,
de man dacht de genade, dacht Jezus, niet nodig te hebben.
… Maar dan heb je ook niets te zoeken op zijn feestje.

In deze gelijkenis zien we dat God twee keer boos wordt.
Eerst op Israël, zijn eigen volk. Alles staat klaar, maar ze wilden niet komen.
Maar ook in de kerk, dat ook zijn volk is geworden,
moet hij het kaf van het koren scheiden.
Jezus laat het dus op twee plekken zien:
“Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren”
Dat heeft alles te maken met of je dat Lam aanneemt.
Of je gelooft. Of je genade zoekt.
Uitverkiezing is niet bedoelt om je af te schrikken,
maar juist te bemoedigen. Ga naar het Lam.
En luister nog eens goed naar de uitnodiging: “Alles staat al klaar”
Het hangt niet af van jou, van jouw goedheid, maar kom en geloof.

Dit is wat Luther opnieuw ontdekte, 500 jaar geleden.
Als je alleen maar kijkt naar de woede van God,
dat hij elk moment kan langskomen om je stad plat te branden,
– ja, dan wordt je bang.
En dan vraag je: Hoe zorg ik dat hij niet meer boos is?
hoe krijg ik weer een genadige God, hoe stem ik hm gunstig?
Wat kan ik doen?
Maar je hoeft niets te doen: want alles staat al klaar.

En als je naar die laatste opmerking van Jezus luistert,
en daarin alleen sterk de dreiging hoort:
velen zijn geroepen, en o wee als je niet luistert,
en er zijn maar weinig uitgekozen…
dan kun je daar zomaar aan gaan twijfelen.
Vroeger twijfelde gelovigen vaak aan zichzelf.
Ben ik wel door God uitgekozen. Of doe ik alsof?
Dit zat als onderstroom in onze gereformeerde traditie.
Dat zijn we vandaag een beetje kwijtgeraakt, helaas.
Ik denk dat het ons laks maakt, alsof het niet uitmaakt of we goed doen.
Het is niet in de eerste helft van Jezus’ gelijkenis, in Israël,
dat er iemand wil komen met foute kleren.
Nee, Joden weten wel hoe je goed moet leven.
Maar het is in de tweede helft, in kerk,
dat er iemand niet genoeg om het Lam heeft gegeven.
We mogen hier nooit denken dat het automatisch goed zit.
Het gaat niet vanzelf, en laat die vraag maar eens op je afkomen.
Maar verhef dan niet die twijfel tot zekerheid,
maar durf in geloof te vertrouwen op de Koning die het rondbazuint:
Alles staat al klaar.
Alles. Dus ook de uitnodiging, omdat ik je koos,
voor de grondlegging van de wereld. Het is klaar.

Ik heb het nu vaak gezegd, maar wat staat er eigenlijk klaar?
Kijk nog even terug naar vers 4: “Ik heb een feestmaal bereid,
ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten.
Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!”

Mijn stieren en het mestvee.
De Koning heeft het beste van zijn eigen stal opgeofferd.
Hij heeft van zichzelf gegeven en geslacht.
Het heet niet voor niets de bruiloft van het Lam. Want die is geslacht.
“Het staat klaar” is hetzelfde als Jezus’ uitroep: “het is volbracht!”


God wist, toen hij zijn zoon Jezus stuurde,
dat hij het lot zou delen, dat ook profeten voor hem ondergingen.
Het is hoe God te tafellakens uitdeelt.
Hij dekt het feestmaal, door het lam naar zijn slachters te sturen.
God wist het wel:
De afwijzing van Israël, en de Kerk, die net zo goed, gemengd is:
Goede, en slechte mensen die niet langs het Lam willen.

Maar ik geloof dat God ook daar het geduld vandaan haalt.
Want de gelijkenis van het zaad en het onkruid laat zien,
dat God er de tijd voor neemt.
Tot het feest begint, worden zoveel mogelijk mensen samengebracht,
zowel goede als slechte. Hij zegt: laat het maar opkomen.
Goed en kwaad door elkaar, “laat beide samen opgroeien tot de oogst”
Wij kunnen dat maar moeilijk verkroppen, lastig verdragen.
Het onkruid verstikt en verdrukt. Ziet God het kwaad dan niet?
– Ja echt wel, en hij wordt daar straks razend boos op.
Zijn geduld betekent niet, dat God het maar laat gebeuren.
Dat alles wat verstikt en verdrukt, straffeloos zijn gang kan gaan.
Hij zal het weg doen.
Wij zouden het nu al willen, maar God heeft meer geduld dan wij.
Hij kan het uithouden, want het is al klaar.

En als het dan oogsttijd is, dan zal God tegen de maaiers zeggen
om eerst het onkruid te wieden, te binden, en te verbranden.
God komt om te kijken of iedereen zich houdt aan de dress–code.
Wie bij God niet staat, wordt aan handen en voeten gebonden,
en naar buiten gegooid.
Wie niet langs het Lam is gegaan om te wassen,
moet weg uit het stalend witte licht, het duister in.


Dit is een bijzonder bruiloftsfeest,
waar de bruidegom dezelfde blijkt te zijn als de geslachte dieren;
Alles staat klaar, het Lam, het is volbracht.
Een feest, waar de gasten dezelfde blijkt te zijn
een rijke, voldragen oogst, als het bruid van Christus;
waar haar kleren prachtig zijn, smetteloos wit, in bloed gewassen,
van fijn linnen, van goede werken,
waarvan God geen steekje heeft laat vallen.

Als ik denk aan wat God doet, dan zien we hoe volmaakt het is.
Maakt Hij iets, doet hij iets, dan is het goed.
En als je dat niet ziet, dan moet het in geloof gezegd worden, dag na dag.
Alles wat God doet is perfect, het is foutloos, het is prachtig.

En tegelijk: zo geduldig als God is,
zo intens verlangen wij met de Geest naar het ultieme moment.
verlangen dat niet kan wachten, en tegelijk Gods engelengeduld leert.
Zo lang als het nog duren zal zeggen we: het is goed.
Want alles is al klaar. Amen


online delen:

tag reeds en nog niet oordeel uitverkiezing goed doen kleding Luther

Meer preken uit Mattheüs