Votum en Groet NLB Ps 23b:1,2,4 (De Heer is mijn Herder) (=LvK 14) Wet - 10 woorden als profetie - fragment formulier 3 NLB 400 (Voordat ik kan ontvangen brood en wijn) Gebed (KBC) L: Rom 6:1-14 Preek over Rom 6:11 GK 103: 1, 3, 6, 9 Formulier 3 (niet gebeamd!) GK 89:1 Jezus leven van mijn leven Tafel 1 (Lezen Joh 6:35-48; 52-58; GK 57:1 en 3) Tafel 2 (Lezen Jes 54:6-55:3; NLB Ps 119a: 3 en 4 = GK22) Eventueel Tafel 3 (Lezen Joh 6:60-69; GK 103:4, 5) Afsluiten maaltijd: zingen Ps 103: 5 en 9 Kinderen komen terug voor gebed! Gebed Collecte NLB 378:1-5 (Sterk Heer de handen tot uw dienst) Zegen

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Hoe kijk je naar jezelf? Ben je tevreden met wie je bent?
Ben je een goed mens?
Zie je jezelf als een heilige of als een zondaar?


We zijn als gereformeerden gewend om dat laatste te benadrukken.
Ik ben een zondaar. Ik ben welliswaar gered, geheiligd,
pure genade, maar ik ben een zondaar.
Het is ook onze ervaring, dat we fouten maken.
De een misschien wat meer dan de ander, maar toch wel echt allemaal.
Dat je de plank soms volledig misslaat.
En dan voel je het weer: dat had ik niet zo moeten doen.
Ik was fout, ik heb vergeving nodig.
Zulke ervaringen hebben we denk ik allemaal wel gehad;
zo hebben we de hoogmoed wel afgeleerd om te zeggen,
ik ben perfect, toch? Niemand is Goed, behalve God.

Dit is het verhaal wat we elkaar voorhouden. Terecht. Woord van God.
Mensen doen kwaad, God noemt dat geestelijk dood.
We hebben het leven en redding zo broodnodig.


Dit is het verhaal. Maar niet het hele verhaal.
Het is het begin van het verhaal van God.
Zeg maar, de inleidende alinea van het evangelie.
Dat God de wereld liefhad toen we nog vijanden waren.
Waren, dat is verleden tijd. Maar hoe is dat nu?
Ben ik nog steeds een vijand, of is er ondertussen wat veranderd?

Daarom dus deze vraag: Zie je jezelf als een heilige of als een zondaar?
Ik heb het idee, dat we vaak hebben gehoord dat we zondaar zijn.
Is dat dan het gewenste antwoord?

Nu we zo avondmaal gaan vieren, hebben we een reflectieve houding.
En onze zelfreflectie is snel geneigd om zonde te voelen.
Op zoek te gaan naar het gepaste gevoel, de goede houding.
We graven en spitten.
En ook de formulieren die we soms lezen, benadrukken dit heel sterk:
Ik Jezus hard nodig. Ik ben een zondaar, en ik verdien het niet.
En soms heb je het idee dat je dit moet voelen,
en voel je het niet, dan is dát het probleem.

Een voorbeeld op wat voor een effect dat heeft:
In het avondmaals–formulier staan een paar mooie zinnen.
Jezus Christus geeft ons dit feestmaal.
We komen als armen bij de gulle gever,
als zieken bij de dokter die genezing schenkt,
als schuldigen voor de rechter die vrijspraak geeft,
als doden bij hem die levend maakt.

Als je deze zinnen zet in de context van:
je bent een zondaar, en we verdienen het niet,
dan hoor ik vooral: ik ben arm, ziek, schuldig en dood.
Alsof het erin gedreund wordt.
Krijg het gevoel dat ik me wel erg klein moet voelen,
voordat ik mag komen.
En ben je hier erg gevoelig voor, dan lijkt het alsof je eerst kruipen
en bedelen en God op mijn blote knieen danken, dat je een kruimeltje mag.
Precies het tegenovergestelde van wat deze zin bedoelt.
Van het hele idee van de gulle gever, is niets over.
Geen blijdschap om het feestmaal, geen vreugde om de vrijheid.

Stel je voor dat een kind tegen zijn ouders iets zegt als:
’Mama, dank u dat ik vannacht in dit huis slapen mocht,
en dat u mn kleren wast, boodschappen doet, en verhaaltjes voorleest.
Ik doe ook wel eens verkeerde dingen,
en ik weet dat ik dat het allemaal niet verdien.
Mag ik nu alstublief aanschuiven voor het ontbijt?’
Kom op zeg! Je zou dat arme kind onderbreken,
een knuffel geven, en zeggen: stil maar, kom, neem en eet.

We vieren avondmaal, niet om te bedelen, te kruipen en te pleasen
maar omdat we genezen zijn, rijk gemaakt, levend geworden.
O wat ben ik blij met Jezus’ leven. Laten we dat vieren.
En laat Paulus je helpen om zo over jezelf te denken.
Hij zegt in dit stuk: weet wie je bent. Vers 11
Je bent dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God.
En even eerder zei hij het ook al:
We weten dat ons oude bestaan met hem gekruisigd is
omdat er een einde moest komen aan ons zondige leven.

Je weet toch wat voorbij is, wat je hebt losgelaten?
De krampachtigheid, de trots; in minachting neerkijken op anderen,
waar je door Gods genade zelf in mocht groeien.
Je weet toch wat niet meer bij je hoort:
het ontrouwe en jaloerse loeren, naar een ander, wat van een ander is.
En niet blij kunnen zijn, met zegen die God anderen geeft. Ik leg dat neer.

Al dat slechte, dat verrotte, dat is gekuisigd, dood, het is weg.
Paulus zegt, identificeer je dan ook niet met de zonde.
Die route is doorkruist, weggestreept, geen optie meer.
Noem jezelf niet een zondaar, alsof dat is wie je wezenlijk bent.
Zo moet u ook uzelf zien: dood voor de zonde,
maar in Christus Jezus levend voor God.


Is daarmee de zonde weg? Doen we niets fout meer?
Moeten we het maar niet meer hebben over alles wat onrechtvaardig is?
Nee. Dat is te makkelijk.
Zonder die inleidende alinea van Gods verhaal,
hebben we de hoofdpersonen niet goed leren kennen.
Ik moet God leren kennen als iemand die vijanden liefheeft;
want ik, en jij, en u ook, was daar een van.
En ik wil God ook kennen als iemand die later alle onrecht rechtzet.
Hij is namelijk eerlijk. En het kwaad maar laten gaan, is dat niet.

Ik leer ook mezelf niet goed kennen,
als we het niet over zonde zouden mogen hebben.
dat ik verrot ben, soms meer zondaar dan heilige.
Dit is het slecht–nieuws–gesprek dat de kerk al eeuwen verkoopt.
Het is een realistische schets van de mensheid. Wat een bende is het soms.
Daar lopen we liever voor weg. Het is menselijk om te ontkennen,
om te zeggen dat het meevalt. En je hoort het ook vaak:
Zonde, pf, nee joh. Ik geloof in de goedheid van de mens.
En dit is een diep–menselijke drijfveer.
Als kinderen de scheiding van hun ouders moeten verwerken,
dan ontkennen ze het eerst. Het komt toch wel weer goed?

Ach! Was het maar waar.
Of zoals iemand die hoort dat hij een ernstige ziekte heeft,
er eerst vaak ook niet aan wil; liefst ontkennen.
Het is de meest menselijke manier van omgaan met eigen ellende.

Paulus doet dat niet. Hij ontkent het niet.
Hij zegt niet dat de zonde is er niet.
Maar waar wij in onze gebrokenheid vaak begint met ontkenning,
of ons kwaad maken over onrecht, of er diep verdrietig van worden;
vaak komen we uit bij acceptatie; soms moet dat ook.
Maar God accepteert het kwaad niet. Hij wil de zonde niet.
En we willen toch ook niet dat God alle gebrokenheid maar accepteert?

God doet het weg.
Daarom is er niets mis is met een gezond zondebesef.
En is zelfbeproeving goud waard.
Het is de Geest van God die in je geweten bezig is.

Maar hoe moeten naar ons zelf kijken? Als zondaar?
Het gaat scheef als je jezelf identificeert met zondaar–zijn.
Dan hebben we geaccepteerd, wat God niet wil.
En dan doe je twee personen in het verhaal van God tekort.
Jezus die je levend heeft gemaakt,
en jezelf, die nu voor de zonde dood is, en leeft voor God.
Paulus heeft het over je identiteit. Weet wie je bent.
Identificeer je je met het slechte dat in jezelf opkomt,
of met het heilige dat we van God hebben gekregen.
Grijpen we de werkelijkheid van Jezus aan,
of geloven we onze eigen alternative facts.


Heiligen of zondaars? Heiligen dus. Zo schrijft Paulus ons ook aan.
In geen van Paulus’ brieven schrijft hij naar kerkmensen:
beste zondaren, wat is het moeilijk he?
Ach tobben, wat zijn we toch gebroken.
Nee, het is juist andersom. Stimulerend.
In het Nieuwe Testament worden Christenen structureel heilig genoemd.
Heiligen! Lieve mensen, je weet toch dat je een nieuwe schepping bent?
Heiligen. Niet alleen de toppers,
maar ook in gemeentes waar het een rommeltje is.
Zeg maar, waar die zo–genaamde heiligen
op heel gewone en dus gebroken mensen lijken.
Zondaars worden heiligen genoemd.
Maar dan wel met het beroep:
Hallo, wat vloekt met God hoort er dus ook niet meer bij!
Hup, sta op. Kom in opstand. Nu het goede leven.

Niet: je bent een zondaar, en daarom gaat het slecht;
je kunt er misschien ook wel niets aan doen, nou hou maar vol…!
Maar: je bent een heilige. Dood voor de zonde, levend voor God,
Dus sta op! handel ernaar! Laat de zonde je leven niet beheersen.

Daar zit nog wat extra wijsheid van God achter:
Als je zegt dat je een zondaar bent, maak je jezelf zwak.
Niet weerbaar. Vatbaar voor waar Jezus je van bevrijdt heeft.
Paulus maakt je weerbaar, door te zeggen wie je bent.

Zie jezelf als dood voor de zonde. Wat betekent dat dan praktisch?
Stel, je hoort of ziet iets, of er komt een gedachte,
een gevoel bij je op, iets waarvan je weet wat niet OK is.
Als ik mezelf zie als een zondaar,
tja, dan kan ik er ook niet veel aan doen, dat is dan wie je bent.
Stil in een hoekje gaan zitten, wachten tot het over is…

Dat is passief, te makkelijk. Het is eigenlijk het kwaad maar accepteren
en het maakt je onmachtig, terwijl we met Christus zijn opgestaan.
Dus, Kom op! Kom in opstand.
Je moet jezelf niet zien als een speelbal van je gevoel,
of het slachtoffer van een verkeerde gedachte,
en lijdzaam aanzien dat je eraan toegeeft…
Maar Paulus zegt: Zo moet u ook uzelf zien:
dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God.

Dag zonde, ik ben dood, en jij bent dood voor mij
je kunt niks meer met me. Je kunt het proberen,
Maar het is trekken aan een dood paard; ik geef niet mee.

Het is weerstand bieden.
Stel jezelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor onrecht
Of ergens anders staat: Weersta de duivel en hij zal wegvluchten.
We moeten elkaar weerbaar maken.
En zeggen dat je tegen het kwaad kan vechten.
Laten we niet zeggen dat we zondaars zijn en altijd blijven.
Kom in opstand! Sta op!
Denk aan uzelf als levenden die uit de dood zijn opgewerkt
Wees opstandig, dood aan de zonde! Nu het goede leven.
Aan tafel wordt je weerbaar gemaakt, is er krachtvoer,
voor geheiligde zondaars, voor heiligen.

Amen


online delen:

tag sympathetisch-kritisch zelfreflectie

Meer preken uit Romeinen