Votum en Groet NLB 119a: 1, 2 (Uw woord omvat mijn leven) =gk22 Gebed L: 1Sam 21:2-7 (voorlezer) NLB Ps 132: 1,6 (Heer, denk aan David en zijn eed) (andere berijming!) L: Lev. 24:5-9 (lees ik) L: Lev. 6:7-11 NLB Ps 132: 9 T: Luk 6:1-5 (voorlezer) Preek NLB 119a: 3,4 Gel.Bel. (op melodie LvK114 = NLB766?) NLB 416: 1-4 (Ga met God en hij zal met je zijn) Zegen

Geliefde gemeente,

Jezus loopt lekker door de velden.
Niet de gebaande weg, maar dwars door het koren.
De aren worden niet platgetrapt, niet verspild,
maar lekker opgegeten, als een middagsnackje.
En dan komt die vraag: Hej, dat mag toch niet?
Waarom doe je iets wat niet mag?!

Wat een vreselijk irritante vraag!
En heb je ook zo’n hekel aan mensen die dat zeggen?
Dus niet omdat ze terecht de vinger bij de zere plek leggen,
maar van die klikspanen, van die pietjes precies,
van die Farizeeën, die je zo kritisch veroordelen.
– Soms zijn het nog niet eens de anderen,
maar zit die vervelende stem in je hoofd:
Mag het eigenlijk wel? Doe ik het wel goed?

Loop je op zondagmiddag, over de hei,
lekker, maar een beetje koud…
Ga je dan wel? of niet zitten voor een kop warme chocomel?
– Ik weet nog hoe jaren terug, toen ik in V6 zat,
het ijsje van Veling, wel of niet kopen op een warme zondagmiddag,
echt een issue was. – Ach dat kan toch wel?
Misschien voel je je ongemakkelijk.
Denk je: wat zullen de mensen zeggen als ze me zien?
Of kies je daar niet voor,
want je wil anderen niet laten werken op een rustdag.

Ik denk dat de vragen wel duidelijk zijn.
En het is spannend, en ik denk ook nodig om die vragen vandaag te stellen.
Want het verhaal van gezag en autoriteit,
doen omdat God het zegt, omdat hij Heer en Meester is;
dat slikt eigenlijk niemand meer.
Denk zelf, bepaal zelf wat goed is.
En doe toch niet zo moeilijk!

Nu geloof ik echt in vrijheid. In de ruimte die we krijgen.
Maar het lijkt vandaag wel alsof we pas vrijheid hebben,
als niemand commentaar op je hebben mag.
Ervaar je de veiligheid, die we zo nodig hebben,
pas als alle lastige regels bij het vuilnis gaan?
En het lijkt alsof je pas erkent bent, zonder veroordeling,
als je het zelf bepaalt, en op je gevoel afgaat.
En de lastige vragen wegwuiven: ach, doe toch niet zo moeilijk…

– Want; is dat wat Jezus hier doet?
Tegen de Farizeeën zeggen dat ze niet zo moeilijk moeten doen.
Ik ben Heer, Ik ben de heer van Sabbat,
ik bepaal zelf wel wat ik doe…
Jezus zegt dat niet. En ik zou zelfs verder willen gaan,
Hij gaat juist respectvol om, met die irritante Farizeeën,
die zo op de letter zijn, door een antwoord vanuit het levende Woord.

Laten we vanmiddag meelopen met Jezus, onze Heer en Rabbi.
En dan lopen we door het spanningsveld van aan de ene kant
vastzitten aan de letter, en daardoor het doel missen,
en alle kramp die dat met zich meebrengt.
En aan de andere kant: onverschilligheid, ongehoorzaamheid,
omdat we zelf Heer willen zijn, maar uiteindelijk zullen verdwalen.
De paden die ik zelf bedacht zijn doelloos doodgelopen.
We lopen de niet–gebaande weg, die achter Jezus aan.


Rabbijnen hebben een lijst met dingen die verboden zijn op sabbat.
Het gaat veel te ver om te beschrijven hoe ze daarbij komen,
maar ze geloven dat er 39 dingen zijn die niet op sabbat mogen.

Het gaat om landbouw: zaaien, ploegen, en oogsten
Het bundelen van graan, dorsen, ziften en selecteren.
Om kookactiviteiten zoals: malen, zeven, kneden en bakken.
Wol, mag je niet scheren, wassen, slaan of verven.
En je mag niet spinnen en weven.
Je mag niet twee lussen maken, twee draden weven, twee draden scheiden.
Je mag geen knoop leggen, en geen knoop ergens uithalen.
Niet twee steken naaien, of een stuk scheuren.
Activiteiten rondom de jacht waren ook verboden:
Vangen, slachten, villen, of het zouten van vlees.
Je mag niet de huid van een dier bewerken,
de huid van een dier schrapen, of de huid snijden.
Je mag niet twee letters schrijven, of twee letters wissen.
Je mag niet bouwen en ook niet een gebouw afbreken.
Je mag een vuur niet doven, en ook niet maken.
Je mag niet de laatste hamerslag toebrengen.
Of iets van van je eigen erf naar de openbare weg dragen, of andersom.
Dit lijkt misschien wel een niet–relevante lijst, typisch wettisch.
Maar ik vraag toch nog even je geduld.
Want het eerste wat me opvalt is de zorgvuldigheid ervan.
En als je er over nadenkt,
komen deze regels ook niet uit de lucht gevallen.
Denk aan het manna in de woestijn,
dat mocht het volk op sabbat niet verzamelen.
En die toonbroden, die elke week op die gouden tafel werden gelegd,
die werden de dag van te voren gebakken.

Het gaat zoveel verder dan wat ik als kind heb meegekregen,
dat iemand er niet iets aan mag verdienen.
Of wat ik ook wel eens gehoord heb,
dat jaren terug als tijdverdrijf op zondag wel mocht worden gehaakt,
maar omdat het je niets mocht opleveren, moest je het ook weer uithalen.
Voor een Jood zou dat dus dubbelop–fout zijn:
En knopen leggen, en weer uithalen.

Maar goed, het gaat me er niet om dat de gebruiken veranderen,
– vroeger geen tv kijken, niet reizen, geen ijs op zondag, en nu wel –
het gaat er niet om dat dat verschuift in de loop van de tijd,
maar het gaat er om of dat bewust gebeurt.
Met overtuiging.
Een zaak van zelfbeproeving dus.
Daarom heb ik dus bewondering voor het jodendom;
de zorgvuldigheid, en de liefde voor God,
waarmee ze nadenken over hoe ze het leven inrichten.
Het is goedkoop om lelijk te doen tegen de Farizeeën.

Maar Jezus zegt ergens:
als jullie gerechtigheid niet groter is
dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën,
zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.


Toch neemt Jezus afstand van die irritante vraag van de Farizeeën.
Waarom doe je iets wat niet geoorloofd is?
Maar hij schudt die vraag niet van zich af,
door onverschillig te zeggen dat ze niet zo moeilijk moeten doen.
Hij gaat er serieus op in.
Jezus leeft dichtbij het woord van God.
Met dat voorbeeld van David, die van het heilige toonbrood eet,
dat eigenlijk alleen voor de priesters was, zegt hij niet:
Ja maar hij mag het ook! Dus hoef ik het ook niet zo nauw te nemen.
Jezus wil juist laten zien hoe je met God en zijn wetten leven moet.

Laten we eerst eens kijken naar de wetten over offers en de toonbroden.
In Leviticus 6 lazen we een stukje over graanoffers.
Iemand gaat naar God, met een stuk van zijn oogst.
En zegt daarmee: God, Dankuwel.
Ik dank alles aan U, en dat laat ik zien door een stukje terug te geven.
De priester pakt een hand van de tarwebloem, de olie en verbrandt dat.
Ook de wierook wordt gebrandt. De rook gaat naar boven, naar God.
Als iemand tegen God: dank U, zegt,
dan is dat een geurige gave, waar God van geniet.
Zulke offers helpen ons, om bewust te zijn
dat het hele leven een offer moet zijn, waar God plezier in wil hebben.

Maar het gave van de wet van God is,
dat hij de dankbaarheid van het volk gebruikt
om de mensen die bij Hem in dienst zijn, te voeden.
Aaron en zijn zonen mogen eten.
Op het menu staat de dankbaarheid van Israel.
Maar dan gebeurt wel iets bijzonders, Leviticus 6:11,
het laatste stuk, we hebben het ook gelezen:
het is hun aandeel in de offergaven voor de Heer.
Alles wat ermee in aanraking komt wordt zelf ook heilig; het valt de HEER toe.

Als een olievlek die zich uitbreidt.
In de offers laat God zien, dat de stroom van heiligheid,
van wat van hem is, stroomt naar ons leven.
We denken zovaak dat wat heilig is, ontheiligd wordt,
als het in aanraking komt met onze gewone dingetjes.
Maar het is juist andersom.
Een offer voor de Heer, wat God deelt met zijn priesters,
maakt juist de priesters Heilig.
Alles wat ermee in aanraking komt wordt zelf ook heilig.

En dan die toonbroden. Gemaakt van dezelfde ingredienten
als een graanoffer: meel, olie, met wierrook erbij;
als teken voor de gehele gave, als offergave voor de Heer
Ze staan in 2 stapeltjes van 6 op een gouden tafel.
In het heilige, in de tabernakel of tempel.
Broden, voor God op een presenteerblaadje.
Een offer, uit naam van alle Israelieten.
En na een week worden ze vervangen, en mogen de priesters er van eten.
hun aandeel in de offergaven voor de Heer, zegt Leviticus 24.

Dan gaan we van de wetten uit Leviticus naar het verhaal in 1Samuel.
David is op de vlucht voor Saul.
Net afscheid genomen van Jonathan,
en nu klopt hij aan bij priester Achimelech.
De priester heeft niets anders, en maakt duidelijk,
dat er extra regels gelden voor het eten van dat heilige toonbrood.
Want bij mensen in dienst van God past heiligheid.
Voor priesters met tempeldienst betekende dat,
dat ze niet onrein mogen zijn, omdat ze met hun vrouw hebben geslapen.
OK, zegt David dan, dat zit goed.
David ziet dat de wet van God niet beklemmend is bedoelt,
maar hij zegt vrijmoedig:
ik wil horen bij die heilige God, ik wil me voegen.
Hij heeft zelfs het lef om te zeggen: ik ben niet onrein, ik mag eten.

Dit is wat zelfbeproeving, voor het Avondmaal volgende week, is.
Bij jezelf nagaan of je bij die heilige God wil horen.
Of je je wilt blootstellen aan de reinigende invloed, die van hem uitgaat.
Die olievlek van goedheid die al maar groter wordt.

Zo kom je erachter of je achter Jezus aanloopt.
Misschien ontdek je dat je onverschillig bent,
en er eigenlijk niet om geeft. Ja, dan kun je beter wegblijven.
Maar alleen dan moet je wegblijven.
Voor al die anderen, heilig en minder heilig,
maar allemaal hongerig naar Hem, is er brood en wijn.
Zo vinden volgelingen van Jezus, op sabbat, rust bij de Rabbi.
In het korenveld eten ze hemels brood.

Wie ontdekt dat hij vastzit aan de letter van de wet,
of bang is voor veroordeling van God,
als je niet uit geloof en overtuiging je leven inricht,
maar uit gewoonte, of alleen maar omdat het moet,
dan ervaar je de wet niet als vrijheid, maar beklemmend.
Het klinkt wel heel correct, maar dat is niet Jezus volgen,
dwars door het korenveld, met snacks op zondag.
En dan voel je je ook aangesproken door die gewetensvraag:
Waarom doe je iets wat niet mag?
Maar kijk eens hoe heerlijk het is, hoe Jezus dan de beschuldiging,
die eigenlijk zijn volgelingen aanging, opvangt.
Dat is wie Jezus is, degene die het voor je opneemt.
En dan ontdek je een genadig iemand, Hij is mild, vriendelijk.
verrassend ook, geeft je ruimte.
Hij gaat je voor, naar plekken die je zelf niet zou vinden.
Niet over de brede weg, maar dwars door het korenveld.

Als je haakt en het weer uithaalt, maar doet om de Heer, dan is het goed.
Als vlees eet, of niet, maar doet om de Heer, dan is het goed.
Als je ijs koopt of niet, maar het doet om de Heer, dan is het goed.
Zorg dus dat je bij hem bent, en onderzoek dat ook of dat zo is.
Beproef jezelf, en vraag maar naar motieven,
en dan hoop ik dat we bij elkaar proeven dat we met de Heer meelopen.
En als wij dat proeven, dan is dat een aangename geur
die naar boven kringelt.
Ik geloof dat we hier ook elkaar mogen bevragen.
Want het is geen vrijheid, als dat niet mag.
Het is geen genade als de lastige woorden van God bij het vuilnis gaan.
Als je maar van elkaar erkent dat je leerling van Jezus bent.
Dan merk je de ruimte die we krijgen als we achter Jezus aan lopen.

Het leven is goed bij de Heer.
Bij hem die het Brood is, krijg je te eten.
Hij die de Weg is, gaat voorop.
Zijn leven is een heilig brood, wat hij de vader toont.
Van zijn hele leven stijgt die prettige geur op,
een geurige gave, waar God plezier in heeft.
En als je dicht bij hem bent, dan wordt ook jouw leven aangestoken.
en aangevuurd door de Geest.

En dan zeggen we echt niet, we zijn perfect, we zijn vrij van zonde.
David ook niet, die leugenaar.
Een geheime missie voor de koning?
Op de vlucht voor Saul, zul je bedoelen.
Vraagt brood voor zijn mannen? Maar hij is alleen.
Toch komen we samen bij Jezus. Onze priester.
We tonen niet ons leven maar hij toont het zijne, aan de Vader,
Voor u, die in zijn dienst staat is het er volgende week:
Het Offer waar God plezier in heeft,
Dat offer wat hij wil delen met ons.
op een gouden presenteerblaadje.

Zo vinden we het lef om in Christus te zeggen:
Ik ben niet meer onrein, ik mag eten.

Amen


online delen:

tag vrijheid heilig priester geur zelfreflectie rein/onrein graan David

Meer preken uit Lucas