votum en groet introductie thema Ps 5: 1,2,10 Wet Ps 5: 4,5 Gebed L: Jer 52:1-30 Ps 6:1-3 (KBC) T: Klaagliederen 1 Preek Amenlied: PvN 57: 123r 456r (heb medelijden God, ik kom bij U) Gebed Collecte Ps 13: 1-3 (Levensliederen.net) Zegen

Geliefde broeders en zusters in Christus onze Heer.

Ik wil beginnen met 2 inleidende opmerkingen,
Ik denk dat u wel het gezegde kent:
Niet klagen maar dragen en vragen om kracht.

Dit klinkt vroom.
Maar ik hoop in de preek te laten zien
waarom we daar snel van af moeten.
– Laat me beginnen met wat er goed aan is:
Het gezegde heeft het over dragen, en vragen om kracht.
En dat is natuurlijk prachtig.
Als het lukt is dat zegen, genade van God.
Ik geloof bovendien dat zo’n spreuk is ontstaan
vanuit geloof dat God niet meer te dragen geeft dan je kunt.
Het gezegde wil berijken dat je niet in de ellende blijft hangen,
dat we niet gaan mopperen,
of God ter verantwoording roepen voor de ellende.
En je moet natuurlijk niet gaan zitten zeuren.

Maar het boekje Klaagliederen, zeurt niet, en moppert niet,
het boek klaagt. En het leert ook ons om te klagen.
Het is woord van God zelf, dat we mogen naspreken.
Woord van God zelf, die de ruimte geeft, om te zuchten,
te zeggen, God ik kan niet meer, het is me teveel.
Ik dacht dat U het goede had belooft,
maar ik zie het nu even niet.

En de diepste klacht in klaagliederen is:
dat het ondragelijk is, dat de kracht er niet meer is.
Dan moet je niet zeggen:
Niet klagen maar dragen en vragen om kracht.
Want de beklagenswaardige situatie van dit boekje
is de straf van God zelf.
Als hij slaat, bij wie moet ik dan beschutting zoeken?

En dan hebben we God leren kennen als trooster, als redder en bevrijder,
Maar blijkbaar kan het voorkomen, dat de Trooster, niet troost.
Dat je redder, niet redt.
Dat God de bevrijder, zijn kinderen in ballingschap stuurt.
En dat is ongekend heftig.

Tweede inleidende opmerking.
In het midden oosten kunnen ze goed klagen. Beter dan wij.
Als ik op TV zie hoe mannen kunnen huilen, hun verdriet laten zien,
hoe vrouwen ongekend intens, hun pijn uiten.
Soms vind ik het overdreven, maar soms raakt het me.
En dan roepen ze: allah–hu akbar: God is groot.
’t is een reflex, maar ook een hartekreet.
Midden in het leed, hun verdriet, pijn, en rouw,
houden ze macht en de grootheid van hun God hoog.
Heel anders dan wij, onze vragen bij verdriet zijn juist:
Waar is God dan? Als hij almachtig is, waarom…?
onze reflex is denken dat God kleiner wordt van aardse ellende.
Wat we kunnen leren van die andere cultuur,
is dat God zich niet laat kleineren door het kwaad.

Met dankdag deze week nog gevierd,
met misschien wel 10.000 redenen om dankbaar te zijn,
lijkt het misschien raar om uit klaagliederen te preken.
Maar het is nuttig om te leren klagen,
juist als het goed gaat,
zodat je je hart kan luchten bij God als het nodig is.
zodat je weet dat God je zuchten ziet,
je huilen hoort, dat de Heilige je klacht kan hebben.

En als het leven op dit moment wel om te klagen is,
dan hoop ik dat er ruimte komt om te mogen klagen.
Een kerk is geroepen om blij te zijn met de blijden,
en te wenen met de wenenden; om mee te lijden.
Laat er dan ook ruimte zijn, de vrijmoedigheid,
om wat kapot is, wat zeer doet, gewoon te mogen zeggen.

Ik geloof dat we troost van God krijgen,
als er ruimte komt om te klagen.
En ik geloof dat in deze rauwe woorden evangelie is te vinden.


Laten we kijken naar het boek klaagliederen,
ik zal af en toe naar de verzen verwijzen,
dus wie wil meelezen kan de bijbel erbij pakken.
– Het eerste woord is: Ach.
Dat is eigenlijk de titel van het boek klaagliederen.
Ach, Au. Zo’n woord, zo’n uitroep, verzuchting,
die je uitschrijft in een stripboek: Ouch of hhh (zucht)
Maar dan een behoorlijk stuk intenser: Ach, van ach en wee.

En als je zo de 5 hoofdstukken doorbladert,
zie je dat ook klaaglied 2 daarmee begint. Ach.
En ook hoofdstuk 4.
Nu we de 5 hoofdstukken aan het bekijken zijn,
kijk eens hoeveel verzen ze elk hebben.
Alle hoofdstukken bevatten 22 verzen, behalve klaaglied 3,
die heeft er 66, dat is 3x 22.
En dat heeft een reden.
Alle klaagliederen, met uitzondering van de laatste,
zijn alfabetische liederen,
elk vers begint met een letter uit het alfabet.
Vers 1, met de A, van Ach, of Au.
Vers 2 met de B, enzovoort.
Alle 22 letters van het hebreeuws alfabet bij langs.
Het is een kunstzinnige manier van uitdrukken,
dat deze klacht, van A tot Z uitgespeld mag worden.
De totale taal wordt gebruikt.
Alle letters doen mee in de rouw om Jeruzalem.

Dat is waarom de dichter verdriet om heeft.
Jeruzalem is verwoest, het volk is net in ballingschap gegaan.
Kijk maar in vers 3:
Juda is verbannen na een tijd van nood en zware onderdrukking;
zij zit neer te midden van de volken, maar vindt geen rust:
haar vervolgers belagen haar, drijven haar in het nauw.

Landen rondom Juda zatten al een tijd in spanning.
Grootmachten op oorlogspad.
Door te betalen kun je ze misschien te vriend houden.
Israel was een tijd terug al opgeslokt door Assur.
Dat is die tijd van nood en zware onderdrukking.
En dat maakte de hele regio onrustig.
Maar in deze tijd is Assur veroverd door de Chaldeeen,
Nu heeft Babel ook Jeruzalem verovert.
Met slim spel en verbondjes was geprobeerd een machtsblok te vormen,
in Klaagliederen worden dan de de minnaars genoemd,
kijk maar in vers 2, daar staat over Jeruzalem geschreven:
Heel de nacht weent zij, haar wangen zijn nat van tranen.
Er is niemand die haar troost, niemand van haar vele minnaars;
geen vriend bleef haar trouw, allen zijn haar vijandig gezind.

Het gaat nu over de minnaars, de vriendjes,
de scharrels van Jeruzalem,
– maar waar is dan haar man gebleven?
Kijk maar in vers 1, die is dood.
Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad.
Als een weduwe is ze geworden

Jeruzalem is als een weduwe, haar man is niet meer.
Tenminste zo ervaart ze dat.
En dat is schokkend.
Want dat is – hoe God zich altijd presenteerde.
In het verbond tussen God en Israel
zijn altijd beelden van man en vrouw gebruikt.
En nu zegt Jeremia: Jeruzalem is als een weduwe,
en dat betekent: God, het is net alsof U dood bent.
En nu zitten we in zak en as. Ach. Alleen.
De poorten verlaten, kinderen gevangen weggevoerd,
de regeerders als opgejaagd wild verjaagd,
en nu blijft Jeruzalem, alleen achter,
zonder allen die haar lief waren, zonder haar lief,
als een weduwe, zonder God.

Ik hoop dat je hoort, hoe gedurft dit is,
hoe scherp Jeremia zich uitdrukt, hoe godgeklaagd diep dit gaat.
Dit is niet oneerbieding maar wel ontzettend gedurft
als je bedenkt dat God, die trouwe verbondspartner van Jeruzalem,
keer op keer zei: ga alsjeblieft niet bij me weg.
vertrouw niet op die andere goden, pap niet aan met die andere landen,
stel je vertrouwen niet legers, maar op mij.
Maar Juda, ontrouw als ze is, liep weg.
Wat een lef he? om dan te zeggen dat Jeruzalem als een weduwe is.

Maar dat is wat rouw doet, de werkelijkheid rauw beschrijven.
In shock, verbijsterd, want je zult het maar hebben gezien:
de belegering van de stad,
hoe langzaam de honger om zich heen begon te slaan.
En dan als de muur valt, die wilde legers,
die landen verwoesten, vrouwen verkrachten,
huizen verbranden, en de tempel plunderen.
Die soldaten die mensen doden, of als slaaf meenemen.
Gezinnen verscheurd, kinderen getraumatiseerd.
Is dat wat Jeruzalem van haar verbondspartner mocht verwachten?
Ach, die eens zo levendige stad, ach, hoe zit ze nu eenzaam neer.
Ze is geworden als een weduwe; alsof God niet meer is.

– Als het hierbij zou blijven was het niet meer geweest,
dan een grote mond opzetten tegen God.
Maar de klager ziet eerlijk de ellende onder ogen,
’t is haar eigen schuld. Kijk maar in vers 18.
Het ligt niet aan God, nee:
De HEER staat in zijn recht: ik trotseerde zijn bevel.
Sterker nog, het is de Here die deze straf uitvoert.
kijk maar in vers 12:
Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet?
Merk toch op en zie: is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan,
dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort?
Hij liet uit de hoogte vuur neerdalen, dat in mijn gebeente brandt.
Hij spande een valstrik voor mij, hij deed mij terugdeinzen.
Hij verwoestte mijn leven en maakte me ziek, dag na dag.

We zitten hier in een bijzonder klaaglied,
en daarin is het anders dan ons klagen.
Jeruzalem heeft gezondigd, en daarom straft God.
Als wij een ongeluk meemaken, of als wij lijden,
als je ernstig ziek bent of een handicap hebt,
dan zien we dat niet als directe straf van God.
We kennen de plannen van God niet,
dus laten we daar ook maar niets over zeggen.
Maar wat we wel van dit klaaglied leren, is dat alles wat gebeurt,
uiteindelijk in de hand van God is.
En let er op hoe vrijmoedig Jeremia dat als klacht in de mond neemt.
Onze klacht is soms dat juist dat zo ontzettend moeilijk te verdragen is.
Moeilijk te geloven dat God echt de macht heeft.
En hoeveel mensen hebben God daarom niet dood verklaard?
Hoeveel mensen hebben God niet verlaten?
Maar Jeremia niet.

God slaat, en ach, dat doet zeer. God slaat Jeruzalem alles uit handen.
Ze blijft alleen achter, er is niemand.
Vers 17: Sion strekt haar handen uit, maar er is niemand die haar troost.
En even verderop, vraag Jeruzalem om gehoord, om gezien te worden.
Luister toch volken, en zie hoe ik lijdt.
– Wat is het belangrijk dat de pijn erkent wordt,
niet genegeerd, maar eerlijk onder ogen wordt gezien.
Niet de facebook–werkelijkheid, waarin we alleen de successen delen,
hoe belangrijk en mooi dat ook is,
maar ook de werkelijkheid, als die niet zo fraai is.

Jeruzalem vraagt om gehoord en gezien te worden,
dat de pijn erkent mag worden.
Maar er is niemand, zegt ze.
– Klopt dat? God is er toch nog?
Natuurlijk is dat waar, maar Hij is degene die slaat,
Hij is, vers 14, degene die de zonde tot een pakket heeft gebundeld,
en daar het volk aan onderdoor laat gaan.
En ondraagbaar juk op de schouders legt.
God is degene die straft. Hoe is dat troost?

Als Jeremia klaagt dat Jeruzalem alleen is,
dat ze een weduwe is, dat God dood is, dan is dat feitelijk niet juist.
Maar God laat dan gaan, hij corrigeert niet,
stuurt geen profeet die zegt hoe het zit.
Dat had Jeremia al gedaan, en had geen effect.
God verwacht van klagende mensen ook geen neutrale waarheid.
Nee, hij luistert, naar mensen in shock.
Hij stuurt zelfs de profeet Jeremia om dat onder woorden te brengen.
Vol pijn, rauw en gedurft.
Dat is wat rouw doet, de werkelijkheid rauw beschrijven.
Overdreven misschien, feitelijk onjuist misschien.
Maar daar zeg je niet tegen: kom op, niet klagen maar dragen,
Nee, daar luister je naar.
God wel in ieder geval; want zo gaat dat in een verbond.

En wat me dan ontroert, als ik dit lied lees,
is dat Jeruzalem in vers 19 in haar oude fout valt.
Ik riep om mijn minnaars, die reflex, die oude gewoonte.
Die zonde, dat was precies Gods reden om te straffen.
Jeruzalem roept in haar pijn om haar minnaars, de affaires.
Maar dan ziet ze het: zij lieten mij in de steek.
Mijn priesters en oudsten zijn in de stad omgekomen,
zoekend naar voedsel om in leven te blijven.

En waar moet je dan heen?
Ontroerend, hoe er dan in vers 20 een bekeringservaring staat.
HEER, zie mijn ellende: mijn ingewanden staan in brand,
mijn hart wordt verscheurd, omdat ik zo opstandig ben geweest.
Buiten berooft het zwaard mij van mijn kinderen, binnen heerst de dood.
Hoor toch hoe ik zucht, er is niemand die mij troost.

Als er niemand is, dan ga je naar God toe, zelfs als Hij degene is die sloeg.
Omdat er niemand anders is, ga je naar God.
Naar hem die tegenvalt, waarvan je dacht dat hij dood was.
Naar hem, waarvan je dacht dat hij zijn verbondsbelofte niet na komt,
als je voelt dat hij je in de steek laat.
Zo is er ook ruimte voor u, en voor jou.
Als je geslagen wordt en je doodmoe afvraagt, wanneer is het genoeg?
Als je je een balling voelt,
een vreemdeling in de wereld. Vervolgt, veracht.
Een vreemdeling in de kerk. Anders. Eenzaam. Ach.
Als de priesters tegenvallen,
en de leiders van het volk verkeerde keuzes maken,
en je het idee hebt dat je volksgenoten worden weggevoerd,
weg uit het beloofde land, en dat niemand je meer hoort.

Het klaaglied ziet Gods hand.
En gaat terug naar hem waarvan hij dacht dat hij er niet meer was.
Waar moeten we anders heen?
En dan, aan het eind, doet de gestrafte een beroep op Gods eerlijkheid.
Kijk God, wat voor een vreselijks er gebeurt,
ziet U hoe die beesten huishouden?
Neem hun verdorvenheid in ogenschouw,
en doe met hen wat u met mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen.
Talrijk zijn mijn verzuchtingen, en mijn hart is ziek.

Dit is hoe lied nummer 1 eindigd. Rauw, mijn hart is ziek.
Jeruzalem is nog niet getroost, de stad ligt in puin.
De wangen nog nat, en kringen om de ogen.
Maar wel het hart gelucht, op de enige plaats waar het kan.
Bij God.

Kan dat nou allemaal?
En het wonderlijke antwoord is: Ja.
Het is bijzonder hoe Jeremia echt de kant van het zondige volk kiest.
Hij beschrijft Jeruzalem als weduwe, alsof God dood is,
Hij lijkt een partner die zijn verbondsbeloften niet nakomt.
Dat zegt hij tegen God, terwijl hij heus wel weet en erkent,
dat het de zonden van het volk zijn,
en dat het de straf van God is. Zo eerlijk klagen mag altijd.

Vol van de Geest, spreekt hij woorden van God.
Geinspireerd om de menselijke kant te verwoorden.
Zo gaat dat blijkbaar in het verbond.
Het mag dus, om tegen God te zeggen, dat hij zo ver weg is.
om te smeken om empathie, om medelijden.
Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet?
En even verderop, beschrijft dit lied:
16 Hierom ween ik, hierom baden mijn ogen in tranen.
Oneindig ver weg is mijn trooster, die mij levenskracht geeft

Om je teleurstelling tegen God uit te drukken.
Bij u moet ik toch zijn voor troost, voor levenskracht?
Maar hij is zo oneindig ver weg.

Maar zo gaat dat in het verbond.
en de band die we hebben met God is zo ongekend sterk,
dat hij dat kan hebben.
Ja, dat de Heer door zijn Geest,
ons de juiste klacht op de lippen legt.
– Heeft U vanmorgen goed nieuws gehoord?
Vond je het ook zo verleidelijk om weg te kijken bij klagende,
te zoeken naar een lichtpunt in de duisternis.
Het is fijner om woorden van troost te horen,
dan een als maar durende klacht.
Dit woord van God laat ruimte wel bestaan. Ruimte om te huilen.

Maar doordat God laat klagen,
bewijst hij op de meest milde en troostende manier,
dat wat onjuist was in het klaaglied:
dat God niet zou horen,
dat er niemand zou zijn.

Hij die de zonde als een juk op de schouders heeft gelegd,
heeft die zonde over genomen.
Het pakket van de wereld met alle schuld, met alle dood en verderf.
Als een zware dwarsbalk.
Hij torste het als een vastgemaakt juk.
Het drukte zwaar op zijn nek, en heeft zijn kracht gebroken.

Zo gaat dat in het verbond,
waarin God je klacht wil horen.
Waar hij, als je dacht dat hij dood was, toch leeft.
Amen


online delen:

tag theodicee lijden schuld

Meer preken uit Klaagliederen