Psalm 116: 1,7,10 Psalm 16: 1,4 L: Luk 12:13-21 Psalm 16: 3 Preek (Luk 12:14) Amenlied: Psalm 73: 10 GK 132: 1,2,4,5

Geliefde gemeente van onze Heer,

Jezus staat open voor onze alledaagse zorgen.
En zo ken je hem toch ook?
Hij is iemand om wie de menigte zich verzamelt; hij trekt mensen aan.
Jezus is niet alleen een goede verteller die het boeiend kan brengen,
maar hij is ook degene bij wie je terecht kan.
Mensen ervaren dat zo, vandaag nog steeds, en toen heel direct.
Wie ziek was, ging naar Jezus.
Ouders die hun kinderen gezegend wilden hebben, gingen naar Jezus.
En hou ze niet tegen, want hij staat voor ze open.

De Zoon laat hierin iets moois van zijn Vader zien.
Zoals Jezus is, zo is God. Jezus is toegankelijk en bereikbaar,
zo heeft ook de Vader altijd een luisterend oor.
Jezus leert je daarom om God heel vertrouwelijk onze vader te noemen.
De hemel staat altijd open.
Misschien wil je God niet vermoeien met je kleine, kinderlijke bezigheden.
Maar dan leert Jezus je bidden voor het brood van alledag.
En als je ziek bent, ga je toch ook naar Vader?
Al je kinderlijke beden en al je vragen, laat ze komen,
hou ze niet tegen, want Vader staat voor je open.

Je ziet het in ons verhaal ook.
Jezus heeft een grote schare mensen om zich heen.
In hoofdstuk 11 en 12 zie je hem onderwijs geven,
soms speciaal voor de discipelen,
maar hij heeft ook de hele tijd oog voor de menigte er omheen.
Blijkbaar kan een willekeurige man uit het publiek Jezus’ onderwijs
onderbreken en met zijn probleem naar hem toegaan.
Dat is wel lef he? Maar Jezus is toegankelijk,
hij staat open, en negeert hem niet.

Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!
Het is in Israel niet vreemd om als je een probleem hebt,
naar een groep wijze mannen te gaan.
Ze zitten bijvoorbeeld bij de stadspoort.
Ze zijn wijs, en kunnen voor je rechtspreken.
Als deze jongen uit het publiek op Jezus afstapt
ziet hij in Jezus dus een gezaghebbende rabbi, iemand die wijs is,
geschikt om recht te spreken.
Zo had hij Jezus dus leren kennen, als iemand die wijs is,
die openstaat voor zijn alledaagse zorgen.

Maar Jezus wil wel dat je hem erkent als Rabbi.
Zo heeft hij zich ook gepresenteerd. De Bergrede bijvoorbeeld,
dan zit hij daar als wetgever, als een Mozes op een berg.
Jezus legt de wet uit: U hebt gehoord dat vroeger gezegd is,…,
maar ik zeg U.
Dat is niet zomaar een Rabbi, dat is een man met een boodschap.
En het volk is diep onder de indruk. Wow, dat is een man met gezag!

Daar komt dus ook nu de menigte op af,
hoewel een deel alleen om het spektakel zal zijn gekomen.
Jezus heeft net in Lukas 11 de Farizeeën en Schriftgeleerden
er hard van langs gegeven.
Jezus noemt het het navolgen waard,
hoe stipt ze de letter van de Wet willen volgen.
Maar toch, het is doods en leeg, een dorre huls, een cocon:
van binnen zit er geen leven meer.
Zo’n scheldkanonnade trekt ook mensen.
Maar Jezus wil niet dat je naar hem komt kijken als wonderdokter
die een boel mooie trucks doet, of als politicus of cabaretier
die het scherp weet te zeggen.
Nee, hij wil dat je hem erkent als Rabbi, als meester.

Mozes bracht vroeger het woord van God naar het volk toe.
Maar met Jezus is dat Woord vlees geworden.
Mozes kwam met twee stenen platen van de berg af
om het volk te leren wat Gods wil was.
Jezus kwam ook naar beneden, maar niet van een berg,
maar uit de hemel om voor te leven wat Gods wil is,
om te laten zien dat hijzelf Gods wil is.
Jezus wil daarom je erkenning hebben. Zo zegt hij iets voor de tekst:
Ik zeg jullie: iedereen die mij erkent bij de mensen,
zal ook door de Mensenzoon worden erkend bij de engelen van God.

Als de Joodse jongen uit onze tekst naar Jezus toegaat
en wil dat Jezus voor hem rechtspreekt,
lijkt het erop dat hij Jezus erkent.
Maar als we goed kijken naar zijn woorden
blijkt dat nogal tegen te vallen.
Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!
Deze jongen laat Jezus geen ruimte zelf zijn oordeel te vellen.
Hij schrijft de zoon van God de wet voor;
hij geeft hem de opdracht zijn probleem te fixen.

Maar dan weert Jezus af.
Op een manier die tegelijk subtiel maar duidelijk is.
Hij zegt niet: Wie denk je dat je bent?,
of Weet je wel wie je voor je hebt?
Hij zegt zelfs niet Sorry, ik heb geen verstand van juridische zaken.
Ik doe alleen genezingen.

Nee. Hij stelt een vraag:
Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?

De bedoeling is duidelijk. Jezus laat merken dat hij geen notaris is.
Hij is niet de man om een inboedel te verdelen.
Tegelijk laat hij de jongen voelen,
dat als er iemand als rechter is aangesteld, over jullie,
dan kun je hem niet zo dwingend benaderen.
Maar in Jezus’ antwoord zit ook een stuk mildheid;
liefde van God die Jezus laat zien. Jezus brandt hem niet af.
Dat Jezus voor hem open staat betekent niet dat alles OK is.
Gods liefde is niet hetzelfde als onverschilligheid. Integendeel.
God is juist bijzonder in jou geïnteresseerd en wil het beste voor je.
Jezus had het hierbij kunnen laten;
de irritante verstoring van zijn onderwijs verder maar negeren.
Maar zo hebben we God niet leren kennen; hij staat immers voor ons open.
En ook al geeft Jezus de man niet waar hij om vraagt,
hij geeft hem wel wat hij het hardst nodig heeft.
Een waarschuwing: Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht,
want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen,
zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.

Zou deze jongen denken dat zijn leven van de erfenis afhing?
Of had hij al genoeg? Precies weten we het niet.
Wat we wel weten is dat Jezus niet voor hem gaat rechtspreken
om zo zijn hebzucht te bevredigen.

Merk trouwens op, hoe subtiel Jezus alweer is overgegaan
tot het aanspreken van de hele menigte.
Wie heeft me over jullie aangesteld?
Blijkbaar is dat een vraag waar iedereen over moet nadenken.

Jezus verder met lesgeven. Iedereen moet hem horen.
Hij staat voor open voor je alledaagse zorgen,
maar hij wil wel dat je hem erkent als Rabbi
en luistert naar zijn beeldend onderwijs.

Jezus gaat dus verder met zijn onderwijs.
Dat doet hij door een verhaal te vertellen, een gelijkenis.
Dat is een illustratie bij zijn waarschuwing:
Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht.

Er was eens een rijke boer. De oogst was goed en de schuur te klein.
Hij verbouwt zijn voorraadschuur en zegt tegen zichzelf: Geniet ervan!
Die nacht sterft hij.

Waar is dit een beeld van? Als eerste denk je natuurlijk aan de jongeman
uit het publiek zelf; hij moet niet zijn als de rijke man uit de gelijkenis.
Die was hebzuchtig. Die ging lui zitten rentenieren.
Maar is dat alles wat deze gelijkenis wil zeggen?
Is het dan verkeerd om te sparen? Is het fout om bezit te hebben?

In deze gelijkenis schetst Jezus het beeld van een man die rijk is.
En rijkdom werd in Israel vaak heel direct als zegen van God ervaren.
En je zou het zelfs verantwoord ondernemerschap kunnen noemen
dat de rijke man uit de gelijkenis zijn vooraadschuur uitbouwt.
Hij werd zo gezegend dat de opbrengst van het land
niet eens meer in zijn voorraadschuur paste. En verspilling,
omdat het buiten de schuur zou bederven, is toch veel ernstiger?

Als het dan niet in rijkdom zit,
waar Jezus in deze gelijkenis voor wil waarschuwen,
zit het dan misschien in de woorden die de rijke boer uitspreekt?
Hij zegt tegen zichzelf:
Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren,
neem rust, eet, drink, vermaak je.

Maar dit is ook niet wat Jezus veroordeelt.
Sterker nog, wat de boer zegt, zei bijvoorbeeld Prediker ook.
In Prediker 2 staat: Het is daarom nog maar het beste voor een mens
dat hij zich aan eten en drinken te goed doet en volop geniet van alles
wat hij moeizaam heeft verworven.
(Pred. 2:24)

Prediker legt alleen wel direct de vinger op de zere plek
bij de boer uit de gelijkenis.
Het citaat uit Prediker gaat verder met
En ook dat (eten en drinken en genieten), zo heb ik ingezien, is in de hand van God.
De man uit de gelijkenis zag dat niet.
En daarom noemt God hem dwaas. Die nacht sterft hij.
God noemt hem dwaas; niet omdat hij sterfelijk is,
maar omdat hij plant zonder met zijn sterfelijkheid rekening te houden.
God geeft het leven, en ook dat is in de hand van God.

Tot nu toe hebben we jonge man uit het publiek vergeleken
met de rijke boer uit de gelijkenis.
Maar ik denk dat de jongen uit het publiek er nog meer in hoorde.
Er komt namelijk iemand bij Jezus met een vraag over een erfenis;
zijn vader is dus overleden. Wat liet deze vader na?
In elk geval twee zoons die ruziën
over hoe de erfenis verdeelt moest worden.

Dit is ook wat God in de gelijkenis zegt:
Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd.
Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?

Ook hier heeft Prediker over nagedacht.
Als hij het leven overdenkt en, in tegenstelling tot de man in de gelijkenis,
nadenkt over zijn eigen sterfelijkheid, dan realiseert hij zich:

Van alles waarvoor ik me had afgebeuld onder de zon kreeg ik een afkeer.
Ik zou het moeten achterlaten voor mijn opvolger, en wie zou kunnen zeggen
of hij wijs of dwaas zou zijn? Toch zou hij de macht verwerven over alles
wat ik met mijn wijsheid had bereikt. Ook dat is enkel leegte.
Vertwijfeling beving me over alles wat ik had verworven
en waarvoor ik had gezwoegd onder de zon. Ook al is een mens bij alles
wat hij heeft bereikt bekwaam te werk gegaan, met wijsheid en kennis van zaken,
hij moet het iemand geven die er niets voor heeft gedaan.
Ook dat is niets dan leegte en een uiterst kwade zaak.
(Pred. 2:18ff)

De jongen uit het publiek riep Jezus’ hulp in bij een erfenis.
Misschien leek zijn vader op de rijke boer uit de gelijkenis,
die wel een goede ondernemer was die met wijsheid en
kennis van zaken bekwaam te werk is gegaan.
Zijn fout was dat hij geen rekening hield met God die hem leven geeft.
Als zo’n verstandige ondernemer, die terecht genieten wil
van de zegen die God hem gaf, als deze man al dwaas wordt genoemd,
hoeveel dwazer is dan deze jongen zelf,
die een groter deel van zijn erfenis eist.
Hoe dwaas is het om bezit na te jagen waar je niet eens voor gewerkt heb?

Dwaas! Pas toch op voor iedere vorm van hebzucht.
Jezus dringt er bij hem op aan. Hij staat open voor je zorgen,
maar wil ook echt erkenning als Meester.
Daarom wil hij dat je goed luistert naar zijn beeldend onderwijs.

Dan ontdek je dat God het leven uitdeelt.
Voor leven zijn mensen continue afhankelijk van God, de bron van leven.
Dit blijkt in deze erfenisvraag opeens de kern te zijn.
Vanuit een waarschuwing tegen elke vorm van hebzucht,
steekt Jezus dieper af. Rijk bij God, noemt Jezus dat (vs21).
Dan ligt daar dus je rijkdom en niet in een zelfgemaakte voorraadschuur.

Rijk zijn bij God. Dan is God zelf je rijkdom, is hij je schat in de hemel.
In Psalmen kom je dat ook tegen, dan wordt God je hoogste bezit genoemd.
Dat betekent niet dat Hij mijn eigendom is.
Dat zou lijken op de jongen uit het publiek die Jezus in zijn broekzak
dacht te hebben; die meende dat hij Jezus opdrachten kon geven.
Maar je ziet ook al in Jezus’ antwoord dat het om dat leven gaat:
hoed je voor iedere vorm van hebzucht, je leven hangt er niet van af.
Jezus moedigt je aan om rijk te zijn bij God. Laat hem je hoogste bezit zijn.
Hier heeft het woord bezit, of erfdeel, een andere klank:
dat is bezit dat je van God hebt gekregen.

Als Israël het beloofde land intrekt, verdeelt God het grondgebied.
Voor elke stam een stuk, voor elke familie een plekje
om van te kunnen leven. God geeft levensruimte.
Zo geeft hij ons vandaag al de middelen die we nodig hebben. Ons erfdeel.
Dat is niet alleen je geld, maar ook je lijf, je mogelijkheden.
Ja, zelfs de mensen die God je om je heen geeft.
Heeft God daarin niet aan iedereen genoeg gegeven om te kunnen eten,
drinken en te genieten?
Jezus leert ons te kijken naar wat God ons geeft,
en om niet na te jagen wat niet van ons is.
Na deze gelijkenis gaat Jezus’ onderwijs verder:
maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken.
En dan zegt Jezus weer dan kernachtige zinnetje: Want het leven is meer…
Jezus leert om te zien dat wat God geeft ook genoeg is.
Zodat je met Psalm 16 van jou erfdeel kan zeggen:
Een lieflijk land is voor mij uitgemeten, ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.
En dan misschien juist als je minder hebt, of minder kan, dan je buurman.
De sleutel tot dit goede, maar haast tegennatuurlijke gedrag
is om God als bron van leven te zien.
Om je niet blind te staren op dat wat hij geeft,
maar vooral te kijken naar wie geeft.
En juist dan krijg je oog voor de mussen op het dak,
en de leliën in het veld.

Maar het is heel menselijk om dat te vergeten.
Dan wordt de gift belangrijker dan de gever.
Wat God geeft komt in plaats van Wie.
Daarom kan Paulus in een van zijn brieven zeggen
hebzucht is afgoderij (Kol. 3:5)
En dat is best wel een heftige zin. Hebzucht is afgoderij.
Dan snap je ook dat Jezus waarschuwt:
Pas op voor iedere vorm van hebzucht. Bezit wordt dan je afgod.
Want wat God geeft verdringt dan God zelf,
en je kijkt naar iets anders dan God.

Wat hebben we dan hard Jezus nodig.
Oefen daarom met zeggen dat Hij je hoogste bezit is.
Heer u bent mijn enig goed, mijn hoogste bezit.
Een bezit dat Uzelf heeft gegeven.

God die zichzelf geeft. Maar daar herken je Jezus!
Hij geeft zijn eigen leven weg, voor dwazen zoals wij.
Ga daarom naar Jezus toe, hij staat open voor je alledaagse problemen,
maar erken hem wel als Rabbi. Als je luistert naar zijn onderwijs
ontdek je iemand die zijn eigen leven uitdeelt.

Dan hoef je niet bezorgd te zijn als Jezus je rechter is.
Want dat is misschien wel het spannendste van deze tekst.
Jezus wordt toch rechter. Hij vraagt:
wie heeft mij als rechter over jullie aangesteld?
En je denk dat het antwoord is: niemand. Jezus gaat niet rechtspreken.
Maar als je het onderwijs van Jezus verder volgt,
dan ontdek je dat hij wel komt om te oordelen.
Jezus is door God zelf aangesteld en er komt een oordeel aan.

Jezus is de bron van leven.
Wat is het dan wrang dat hij zoveel haat in de wereld oproept
dat de Farizeeën hem willen doden. In dit hoofdstuk nog, vers 4, zegt Jezus:
wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet tot iets ergers in staat zijn. Ik zal jullie zeggen voor wie je bang moet zijn.
Wees bang voor hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden
maar ook in de Gehenna te werpen. Ja, ik zeg jullie, wees bang voor hem!

Dat is de keerzijde van hem die het leven geeft. Hij kan het ook nemen.

Maar tegen zijn volgelingen zegt Jezus keer op keer
wees niet bang, wees niet bezorgd. God zorgt voor je.
Zelfs mussen geeft hij eten en drinken. Er valt geen haar van je hoofd,
geen herfstblad van de boom, of God is erbij.
Zo wil God er voor je zijn: Je komt geen haar tekort.
Als je zo voorzichtig leert inzien dat God alles geeft,
dan is dat de perfecte manier om hebzucht te voorkomen.
Dan ervaar je iets van het vertrouwen dat Jezus je wil aanleren
als hij zegt: wees niet bezorgd.

Jezus zal je oordelen, door God als rechter aangesteld.
Maar ook daarin hoef je niet bezorgd te zijn.
Ja, hij zal het volk verdelen tussen schapen en bokken,
tussen mensen die Jezus wel, en die hem niet erkennen als hun Rabbi.
Jezus komt om te oordelen de levenden en de doden.
En ook om het volk te verdelen tussen mensen met een levend geloof
en een dood geloof. En de Farizeeën kregen er van langs:
er hangt hier een dode lijklucht al lijkt het van de buitenkant heel wat.
Maar als je leert zien dat God niet alleen het leven van alledag geeft,
maar ook een levend geloof, dan hoef je je niet bezorgd te maken.

Wie heeft mij als rechter en middelaar over jullie aangesteld? vraagt Jezus.
Het antwoord is: God.
Als bemiddelaar verdeelt hij goede gaven van God naar de mensen toe.
Van een plekje om te wonen, middelen om van te kunnen leven, mensen om je heen.
Geen enkele reden om hebzuchtig te zijn. Jezus deelt rijkelijk uit.
En daar bovenop, geeft Jezus zijn eigen heilige leven.
Hij deelt uit van zijn eigen gehoorzaamheid.
En dat is wat hij vervolgens zal berechten.
Hij zal kijken of je leeft zoals hij wil, maar wat hij in je aantreft,
zijn eigenschappen van Jezus.
In dat laatste oordeel ziet de Rechter iets in mij,
wat ik zelfs soms maar nauwelijks zie:
namelijk, dat goede leven wat hij zelf heeft gegeven.

Pak dat leven aan.
En wees niet zo dwaas als de rijke boer uit de gelijkenis,
maar erken dat God het leven geeft.
Dan zal de Mensenzoon je erkennen bij Gods engelen.
Met zo’n rechter hoef je niet bang te zijn. Hij geeft het leven.
En na de goede beoordeling nodigt hij je aan tafel en zegt:
Kom. Neem rust. Eet, drink en geniet,
ik heb genoeg voor vele jaren, voor een eeuwigheid.

Amen


online delen:

tag oordeel afhankelijkheid wees niet bang

Meer preken uit Lucas